Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BK6484
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BK6484
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/4438 WIA
Datum uitspraak: 11-12-2009
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA / 7:12, 8:47 en 8:72 Awb
Essentie: Weigering WIA-uitkering. Er is geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de door de Raad ingeschakelde onafhankelijke deskundige. Uit het rapport van deze deskundige volgt dat de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de FML niet juist zijn, zodat het bestreden dient te worden vernietigd.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 08/4438 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2008, 06/4333 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 december 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Voogt en het Uwv door W.L.J. Weltevrede.

Omdat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de Raad het onderzoek heropend.

Onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 16 oktober 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Voogt en het Uwv door mr. M.K. Dekker.




II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit op bezwaar van 10 oktober 2006 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit dat er voor appellante per 16 februari 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op basis van een door de deskundige J. Heerema, neuroloog te Capelle aan den IJssel, uitgebracht rapport gedateerd 20 november 2007.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan, dat de opvatting van de deskundige omtrent haar beperkingen tot het verrichten van arbeid slechts ziet op de periodes waarin zij niet is getroffen door een aanval van migraine of van Ménière en evenmin ziet op de periodes waarin zij van die aanvallen herstelt. Naar haar stelling blijven de aanvallen van migraine soms weken weg, maar komen de aanvallen soms ook voor met een frequentie van drie tot vijf keer per maand. Deze aanvallen duren soms één uur, soms 72 uur. De aanvallen van Ménière komen één of meer keren per week voor en duren ongeveer 36 uur.

3.2. Appellante is van opvatting dat zij gezien haar ziektebeeld als geschetst in 3.1 geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. In ieder geval kan naar haar opvatting van een werkgever niet worden verlangd dat hij haar - gelet op haar excessieve ziekteverzuim - in dienst neemt.

3.3. Het Uwv heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat in de rapportages van de verzekeringsarts, de bezwaarverzekeringsarts en de deskundige geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de juistheid van het standpunt van appellante omtrent de frequentie van de aanvallen van migraine en Ménière.

4.1. De Raad heeft de deskundige Heerema verzocht zich uit te laten over de door partijen ingenomen standpunten omtrent de frequentie en duur van de aanvallen, alsmede over de hersteltijd die nodig is na de aanvallen, ten tijde van de datum in geding.

4.2. De deskundige heeft bij brief van 4 juni 2009 aangegeven dat zijns inziens sprake is geweest van frequente aanvallen, waarbij de frequentie soms zelfs hoger kan zijn dan één keer per week. De deskundige heeft voorts aangegeven dat de klinische consequenties van de aanvallen zodanig zijn, dat appellante tijdens een aanval van zowel Ménière als migraine niet inzetbaar is. De duur van de aanvallen kan wisselen, maar ligt volgens de deskundige tussen de 24 en 48 uren, waarna niet zelden nog een periode van reconvalescentie nodig is voordat appellante zich weer de oude voelt. De deskundige heeft gemeld dat hij zijn opvatting mede heeft gebaseerd op inlichtingen omtrent appellante vervat in een brief gedateerd 6 juni 2007 van een KNO-arts en een neuroloog werkzaam in het Gelreziekenhuis te Apeldoorn.

4.3. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken.

4.4. De omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts de opvatting van de deskundige niet deelt, is voor een afwijking als hiervoor bedoeld onvoldoende. Het verschil in opvatting tussen appellante en de bezwaarverzekeringsarts is nu juist aanleiding geweest de deskundige op het punt dat partijen verdeeld houdt expliciet te bevragen.

4.5. De in hoger beroep door appellante ingediende grond als weergegeven in 3.1 slaagt mitsdien. Gelet op de brief van de deskundige van 4 juni 2009 en hetgeen is overwogen in 4.2, is er door de rechtbank ten onrechte aan voorbij gegaan dat de opvatting van de deskundige slechts zag op de perioden dat appellante niet was getroffen door een aanval van Ménière of migraine en evenmin op de perioden van reconvalescentie. De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden vernietigd.

5.1. Uit het rapport van de deskundige bezien in samenhang met zijn brief van 4 juni 2009 volgt voorts dat de beperkingen van appellante zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 april 2006 - op basis van welke lijst voor appellante functies zijn geduid - niet juist zijn. In deze FML is geen rekening gehouden met de beperkingen voortvloeiende uit meerbedoelde aanvallen en hersteltijd als door de deskundige beschreven. Het mede op basis van deze FML door het Uwv genomen besluit van 10 oktober 2006 kan mitsdien evenmin in stand blijven.

5.2. De Raad wijst er volledigheidshalve op dat het Uwv - indien bij het voorzien in deze uitspraak tot de opvatting wordt gekomen dat appellante benutbare mogelijkheden heeft - zal dienen te bezien of van een werkgever kan worden verlangd dat hij appellante in dienst neemt. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 29 augustus 2007, LJN BB2600.

5.3. De Raad acht termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze proceskosten worden begroot op € 1.610,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 10 oktober 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.610,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145.- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

(get.) J. Brand.

(get.) T.J. van der Torn.