Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BK7027
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BK7027
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/2662 WIA
Datum uitspraak: 16-12-2009
Wetsartikelen: artt. 4, 5, 6, 54 en 60 Wet WIA
Essentie: Toekenning WGA-uitkering met ingang van 8 mei 2006 en vanaf 8 november 2007 toekenning van een WGA-loonaanvullingsuitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportages, waarbij zij is ingegaan op de aard van appellantes beperkingen en de door appellante gevolgde behandelingen, een voldoende concrete en individuele onderbouwing gegeven van de verwachting (ten tijde van de onderhavige beoordelingen) dat er in het eerstkomende jaar een meer dan geringe kans op herstel van de functionele mogelijkheden van appellante bestond.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/2662 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 april 2009, 08/207 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 december 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 oktober 2009 heeft mr. Brauer de gronden van het hoger beroep aangevuld en een medische verklaring overgelegd. Desgevraagd is daarop van de zijde van het Uwv gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn - met bericht vooraf - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. van Haaften.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster, gedurende 18 uur per week. Op 10 mei 2004 heeft zij zich ziek gemeld voor haar werkzaamheden wegens klachten aan de linkerschouder en psychische klachten. Op 22 mei 2006 heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Op basis van de bevindingen en conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv aangenomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 80 tot 100% bedraagt en dat er verbetering is te verwachten van de functionele mogelijkheden van appellante. Bij besluit van 6 december 2006 heeft het Uwv om die reden vastgesteld dat ten aanzien van appellante recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 8 mei 2006. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 7 november 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat deze loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 8 november 2007 en dat zij vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 23 januari 2008 heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 6 december 2006 en 7 november 2007 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit) heeft appellante beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe vastgesteld dat het geschil in beroep zich beperkt tot het antwoord op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante ook duurzaam, als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA, is te achten. Vervolgens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de voorhanden zijnde medische gegevens, overwogen dat bezwaarverzekeringsarts J. Jonker voldoende deugdelijk heeft onderbouwd dat er kans op herstel van de arbeidsmogelijkheden is en dat het Uwv op goede gronden heeft kunnen besluiten dat appellante niet duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, herhaald. Zij heeft daartoe gewezen op de ernst van haar fysieke en psychische klachten en op de omstandigheid dat deze klachten, ondanks behandelingen, reeds lang bestaan en niet minder zijn geworden. Het feit dat zij sinds het moment waarop zij is uitgevallen in mei 2004 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht door het Uwv, bevestigt in haar opvatting de stelling dat de volledige arbeidsongeschiktheid tevens duurzaam is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op de medische verklaringen van de haar behandelende artsen.

4. Het Uwv heeft in verweer als zijn standpunt te kennen gegeven in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanleiding te zien om aan te nemen dat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het Uwv baseert zich daarvoor op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Jonker van 21 januari 2008, alsmede de aanvullende rapportages van deze arts van 10 maart 2009 en 9 oktober 2009.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen de vraag betreft of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 8 mei 2006 moet worden geacht duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering, aanvankelijk in de vorm van een loongerelateerde uitkering en met ingang van 8 november 2007 in de vorm van een loonaanvullingsuitkering.

5.3. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

5.4. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

5.5. In zijn onder 5.4 genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat de verzekeringsarts bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid volgens het Uwv het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader, genaamd "Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen" (het beoordelingskader), dient te hanteren. De Raad heeft daaromtrent geoordeeld dat het Uwv niet de bevoegdheid kan worden ontzegd ter uitvoering van zijn wettelijke taak regels vast te stellen ter uitvoering van die taak en ter interpretatie van wettelijke voorschriften. Voorts heeft de Raad overwogen dat het beoordelingskader het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen met betrekking tot de wijze waarop zij de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid dienen te bepalen en dat hij het ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming wenselijk acht dat de verzekeringsartsen het beoordelingskader bij hun onderzoek volgen.

5.6. In het thans voorliggende geval moet de Raad vaststellen dat bezwaarverzekeringsarts Jonker in haar rapportage van 21 januari 2008, welke rapportage ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, wel een standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de vraag of zich de situatie voordoet dat geen verbetering meer is te verwachten, maar dat zij bij haar onderzoek naar de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante niet, dan wel niet op juiste wijze, het beoordelingskader heeft gevolgd. Jonker heeft stap 1 van het beoordelingskader beschreven (de verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten) en aangegeven dat ten aanzien van appellante verbetering van de belastbaarheid niet was uitgesloten. Om die reden, zo heeft Jonker vervolgens aangegeven, zijn de in het beoordelingskader beschreven stappen 2 en 3 niet aan de orde.

5.7. De Raad heeft in zijn onder 5.4 genoemde uitspraak al aangegeven dat hij van oordeel is dat het niet zetten van alle achtereenvolgende stappen van het beoordelingskader niet reeds meebrengt dat om die reden een bepaald besluit strijdt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. De Raad heeft er daarbij op gewezen dat, voor zover het beoordelingskader het karakter heeft van een instructie aan de verzekeringsartsen, het een hulpmiddel is ten behoeve van een zorgvuldige, consistente en onderbouwde besluitvorming. Het niet zetten van alle stappen van het beoordelingskader is daarom niet in strijd te achten met de eisen die zijn te stellen aan een besluitvorming indien dit in een concreet geval heeft geleid tot een besluit dat is voorzien van een deugdelijke motivering.

5.8. De vraag of het bestreden besluit, wat betreft het daarin vervatte standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is, is voorzien van een deugdelijke motivering beantwoordt de Raad bevestigend. Hij wijst er daartoe (nogmaals) op dat bezwaarverzekeringsarts Jonker uitdrukkelijk in haar rapportage van 21 januari 2008 is ingegaan op de vraag of met betrekking tot de ten aanzien van appellante aangenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid verbetering was te verwachten en dat zij daarbij de voorhanden zijnde medische informatie, ook die welke door appellante in bezwaar naar voren is gebracht, heeft betrokken. In haar rapportages van 10 maart 2009 en 9 oktober 2009 heeft Jonker, in reactie op de door appellante - onder verwijzing naar ingebrachte medische gegevens - betrokken stelling dat haar volledige arbeidsongeschiktheid wel duurzaam is te achten, haar eerdere opvatting toegelicht en uitgewerkt dat voorafgaand aan en ten tijde van het moment waarop het recht op WGA-uitkering is ontstaan een meer dan geringe kans op herstel bestond van de functionele mogelijkheden van appellante. De omstandigheid dat de behandelingen van appellante, achteraf bezien, geen, dan wel minder verbetering hebben gebracht dan was te verwachten, is, zo heeft Jonker onderbouwd gesteld, geen grond om aan te nemen dat de door haar aangegeven verwachting die ten tijde in dit geding van belang bestond voor onjuist moet worden gehouden. Naar het oordeel van de Raad heeft Jonker in haar rapportages, waarbij zij is ingegaan op de aard van appellantes beperkingen en de door appellante gevolgde behandelingen, een voldoende concrete en individuele onderbouwing gegeven van de verwachting (ten tijde van de onderhavige beoordelingen) dat er in het eerstkomende jaar een meer dan geringe kans op herstel van de functionele mogelijkheden van appellante bestond.

5.9. De Raad komt derhalve, met de rechtbank, tot een ontkennende beantwoording van de tussen partijen in geschil zijnde vraag, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en
C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.