Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL5230
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL5230
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/3079 WIA
Datum uitspraak: 19-02-2010
Wetsartikelen: art. 23 Wet WIA
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat de wachttijd niet is volbracht. Appellante heeft met ingang van 3 oktober 2005 geen recht meer op een ZW-uitkering omdat zij per die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid. Deze uitkering ontving zij in verband met een ziekmelding per 10 januari 2005. Wel heeft zij zich op 30 januari 2006 weer ziek gemeld. De op 2 januari 2007 aangevraagde WIA-uitkering is geweigerd omdat de wachttijd niet is volbracht.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/3079 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 april 2008, 07/2681 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak:19 februari 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.T.A. Lamers, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2009. Zoals aangekondigd, is appellante niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. M.S. Winkel.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij uitspraak van 11 augustus 2006 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 10 maart 2006, waarbij - na gemaakt bezwaar - is gehandhaafd het besluit van 4 januari 2006, inhoudende de mededeling dat appellante met ingang van 3 oktober 2005 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet omdat zij per die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid, ongegrond verklaard. Deze uitkering ontving zij in verband met een ziekmelding per 10 januari 2005.

1.2. Appellante is van deze uitspraak niet in hoger beroep gekomen. Wel had zij zich op 30 januari 2006 weer ziek gemeld. Op 2 januari 2007 heeft het Uwv ontvangen een aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3. Bij besluit van 13 april 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 8 januari 2007 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, omdat zij vanaf 10 januari 2005 niet wegens ziekte 104 weken haar werk niet heeft kunnen verrichten.

1.4. Bij besluit van 11 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 april 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv gewezen op de hersteldverklaring per 3 oktober 2005. Uitgaande van 30 januari 2006 als eerste dag van arbeidsongeschiktheid, heeft appellante op 8 januari 2007 de zogeheten wachttijd niet volbracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 11 juni 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv niet alleen bevoegd maar ook gehouden is om zelfstandig te beoordelen of de wachttijd is vol gemaakt. In het licht hiervan en gelet op de uitspraak van 11 augustus 2006 heeft het Uwv zich naar het oordeel van de rechtbank terecht beroepen op de arbeidsgeschiktheid van appellante met ingang van 3 oktober 2005.

3.1. De Raad sluit zich hierbij aan. De omstandigheid dat appellante ziekengeld heeft ontvangen op grond van artikel 29a van de Ziektewet, kan niet afdoen aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Met betrekking tot de stelling van appellante dat het besluit van 4 januari 2006 over haar arbeidsgeschiktheid per 3 oktober 2005 is genomen in strijd van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht, overweegt de Raad dat - wat er ook zij van deze stelling - het op de weg van appellante had gelegen om deze stelling te betrekken in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 11 augustus 2006. In rechte staat vast dat appellante op en na 3 oktober 2005 geschikt was voor het verrichten van haar arbeid. Verder staat vast dat zij zich eerst op 30 januari 2006 weer heeft ziek gemeld. Op 8 januari 2007 werd dan ook nog niet voldaan aan de voorwaarde, gesteld in artikel 23 van de Wet WIA, voor het verkrijgen van een uitkering op grond van deze wet.

3.2. Het hoger beroep slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.