Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL6090
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL6090
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/3496 WIA
Datum uitspraak: 26-02-2010
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA / 43a WAO
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Er is geen sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO. Het medische onderzoek naar de psychische klachten is zorgvuldig geweest. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding hadden moeten vormen om appellante zelf te onderzoeken. Bij het verlenen van de vrijstelling om te solliciteren in het kader van de Wwb worden andere criteria gehanteerd dan die gelden bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. De geschiktheid voor de aan schatting ten grondslag gelegde functies zijn in voldoende mate aangetoond.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/3496 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 mei 2008, 07/5481 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.




II. OVERWEGINGEN


1. Appellante is ziekenverzorgster geweest en is op 24 december 2002 uitgevallen wegens psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is haar geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. Per 2 maart 2004 heeft zij zich, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontving, weer ziek gemeld. Per einde wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat verband is appellante onderzocht door de verzekeringsarts B. Frenay-van Maasdam, die als gevolg van de psychische klachten beperkingen heeft aangenomen. Met inachtneming van deze beperkingen heeft zij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Bij besluit van
18 oktober 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering.

2.1. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen. Bovendien is zij van mening, gezien de eerdere beoordeling in het kader van de WAO, dat het bepaalde in artikel 43a van de WAO van toepassing is en dat zij derhalve in aanmerking dient te komen voor een verkorte wachttijd.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen verenigen met de vastgestelde FML. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de geselecteerde functie van montagemedewerker binnen de sbc-code 267050 niet geschikt geacht omdat in deze functie de voor appellant vastgestelde belastbaarheid werd overschreden. Hij heeft echter vastgesteld dat binnen deze sbc-code voldoende geschikte functies resteren om deze sbc-code voor de schatting te handhaven. Daarnaast heeft hij de geschiktheid van appellante voor de overige geselecteerde functies nader gemotiveerd en heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op eveneens minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 21 juni 2007 het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen. Daarnaast heeft zij de geschiktheid van de functies aangevochten. Voorts heeft appellante een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) vrijgesteld is van de arbeidsverplichting.

3.2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing is, omdat appellante bij de eerdere beoordeling in het kader van de WAO na afloop van de wachttijd geschikt is geacht voor haar eigen werk. Van arbeidsongeschiktheid in de zin van dit artikel is derhalve geen sprake geweest.

4. In hoger beroep heeft appellante de eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad kan zich geheel verenigen met de overwegingen van de rechtbank over de toepassing van artikel 43a van de WAO. Ook de Raad is van oordeel dat van ongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO geen sprake is geweest.

5.3. Voorts is de Raad op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen, die de beschikking hebben gehad over informatie uit de behandelende sector, geen zorgvuldig medisch onderzoek hebben ingesteld naar de psychische klachten van appellante. De omstandigheid dat appellante niet is gezien door de bezwaarverzekeringsarts acht de Raad in dit geval niet onzorgvuldig, nu appellante naar het oordeel van de Raad in bezwaar geen medische gegevens heeft overgelegd die voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding hadden moeten vormen om appellante zelf te onderzoeken.

5.4. Evenmin is de Raad op grond van de gedingstukken tot de conclusie kunnen komen dat de verzekeringsartsen de uit de psychische klachten voortvloeiende beperkingen hebben onderschat. De omstandigheid dat appellante in het kader van de WWB vrijgesteld is van de verplichting om te solliciteren heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Bij het verlenen van een dergelijke vrijstelling worden andere criteria gehanteerd dan die gelden bij de beantwoording van de vraag of er sprake in van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA.

5.5. Aangezien de Raad tevens van oordeel is dat het Uwv de geschiktheid van appellante voor de aan schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft aangetoond, komt de Raad tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.