Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL8312
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL8312
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/5038 WIA
Datum uitspraak: 19-03-2010
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bestreden besluit berust op voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De maatmanarbeid van appellante is niet zo specifiek dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning op de arbeidsmarkt niet of nauwelijks voorhanden is.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 09/5038 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2009, 08/1716 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de bezwaarverzekeringsarts C. Bockwinkel van 7 december 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bruin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

Ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde appellante in de gelegenheid te stellen informatie van de huisarts over te leggen.

Bij brief van 25 januari 2010 is informatie van de huisarts, de fysiotherapeut en de psychiater in het geding gebracht. Hierop heeft bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel gereageerd met zijn rapportage van 27 januari 2010. Bij brief van 4 februari 2010 heeft de gemachtigde van appellante de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

Op 5 februari 2010 is het geding opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen en welke door partijen niet zijn betwist. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante was voor 20 uren in de week werkzaam als schoonmaakster toen zij uitviel als gevolg van lichamelijke en psychische klachten.

1.3. Bij besluit van 9 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) handhaafde het Uwv het ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) genomen besluit van 19 november 2007 waarmee de WIA-uitkering per 18 augustus 2007 werd geweigerd.

2. De rechtbank verklaarde het ingestelde beroep ongegrond.

3. In hoger beroep handhaaft appellante de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht en voert daarnaast aan dat ten onrechte geen waarde is gehecht aan de mededeling van de Arbodienst dat appellante begin 2009 nog arbeidsongeschikt is verklaard voor haar eigen werk.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Voor zover appellante in hoger beroep uitdrukkelijk verwijst naar de gehandhaafde beroepsgronden, verenigt de Raad zich met de hierop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne. De in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts, de fysiotherapeut en de psychiater geeft naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen. In dit verband stelt de Raad vast dat er in alle rubrieken van de (aangescherpte) FML van 6 mei 2008 beperkingen zijn aangenomen. Niet is gebleken dat hiermee de mogelijkheden van appellante per 18 augustus 2007 zijn overschat. Evenmin heeft de Raad in de overgelegde stukken van arbodienst Commit Arbo en Achmea Vitale steun kunnen vinden voor de stelling van appellante dat haar (geobjectiveerde) klachten in onvoldoende mate zijn meegewogen. De Raad ziet in het voorgaande geen aanleiding om zich nader te laten voorlichten door een onafhankelijk deskundige.

4.3. Met inachtneming van de medische belastbaarheid kwam de arbeidsdeskundige tot de conclusie, welke door de bezwaararbeidsdeskundige is onderschreven, dat appellante in staat moet worden geacht haar maatgevende arbeid te verrichten. De rechtbank onderschreef dit arbeidskundige oordeel. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen. De Raad onderschrijft voorts het aan de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde oordeel dat de maatmanarbeid van appellante niet zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning op de arbeidsmarkt niet of nauwelijks voorhanden is.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.