Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL9286
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL9286
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/7159 WIA
Datum uitspraak: 26-03-2010
Wetsartikelen: artt. 43 en 46 Wet WIA / 8:72 Awb
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat appellant reeds bij de aanvang van zijn verzekering op 1 oktober 2003 volledig arbeidsongeschikt was. Voor toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dienen, zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie LJN BH2844), de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid, in dit geval op 1 oktober 2003. Naar het oordeel van de Raad kan overigens uit het totaal van de beschikbare gegevens niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat er voor appellant op 1 oktober 2003 op grond van ziekte of gebrek zodanige beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Wet WIA bestonden dat hij per deze datum reeds als volledig arbeidsongeschikt in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd. Het bestreden besluit, waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellant op 15 oktober 2007 buiten aanmerking is gelaten, kan wegens een onvoldoende draagkrachtige motivering geen stand houden.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/7159 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2008, 08/1137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 maart 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam, en A. Ouazizi als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, geboren op [in] 1970, is van 1 oktober 2003 tot 1 oktober 2005 in dienst geweest van de gemeente Rotterdam [naam onderdeel] in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW). Appellant is in deze periode uitgeleend aan de Stichting [naam stichting], waar hij gedurende een deel van deze periode de functie van [naam functie]r heeft vervuld voor 38 uur per week. Aansluitend kende het Uwv hem een werkloosheidsuitkering toe. Op 17 oktober 2005 meldde appellant zich ziek wegens psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het Uwv appellant bericht dat hij met ingang van 15 oktober 2007 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft daartoe het standpunt ingenomen dat appellant reeds bij de aanvang van zijn verzekering op 1 oktober 2003 volledig arbeidsongeschikt was.

1.3. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat ten onrechte is vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering, aangezien hij op 1 oktober 2003 wel arbeidsgeschikt was. Daartoe heeft hij gesteld dat zijn psychische situatie in 2001/2002 was verbeterd, hetgeen in het kader van de Algemene Bijstandswet aanleiding is geweest om zijn vrijstelling van de arbeidsverplichtingen op te heffen en hem, na het volgen van stages, te laten instromen in een banentraject. In het kader van dat traject is hem per 1 oktober 2003 een baan als [naam functie] aangeboden. Pas toen in september 2004 bekend werd dat zijn vrouw ernstig ziek was, zijn de (uit schizofrenie voortkomende) psychische klachten teruggekeerd.

3.2. Het Uwv heeft erop gewezen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen appellants functionele beperkingen naar de datum 1 oktober 2003 hebben beoordeeld. De (bezwaar)arbeidsdeskundigen hebben op basis daarvan geconstateerd dat de functie bij de Stichting [naam stichting] op 1 oktober 2003 ongeschikt was voor appellant. Daarnaast hebben zij met betrekking tot deze datum geen theoretische functies kunnen duiden. Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat er geen medische informatie door appellant is overgelegd die de gestelde verbetering van zijn medische situatie sinds 2001 ondersteunt, terwijl het evaluatierapport van de Adviescommissie reïntegratie uit juli/augustus 2005 (gemeente Rotterdam) omtrent het functioneren van appellant bevestigt dat hij ongeschikt was voor die functie.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Voor toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dienen, zoals de Raad al eerder heeft overwogen (bij voorbeeld in de uitspraak van de Raad van 28 januari 2009, LJN BH2844), de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid, in dit geval op 1 oktober 2003.

4.2. Het gaat daarbij om de vraag of de betrokkene op het desbetreffende tijdstip ten gevolge van ziekte of gebreken buiten staat was om met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen hetgeen zijn maatman verdient. Dit betekent dat de uitkomst van een onderzoek naar het ongeschikt zijn voor de arbeid die laatstelijk door de betrokkene is verricht, in dit geval in de functie van [naam functie] in WIW-verband, niet doorslaggevend kan zijn.

4.3. Naar het oordeel van de Raad kan overigens uit het totaal van de beschikbare gegevens niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat er voor appellant op 1 oktober 2003 op grond van ziekte of gebrek zodanige beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid als bedoeld in de artikelen 46, eerste lid, van de Wet WIA bestonden, dat hij per deze datum reeds als volledig arbeidsongeschikt in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd. Van de zijde van de gemachtigde van het Uwv is ter zitting erkend dat medische stukken waarop de bezwaarverzekeringsarts zich heeft gebaseerd zich niet onder de gedingstukken bevinden.

4.4. Gezien hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, kan het bestreden besluit, waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellant op 15 oktober 2007 buiten aanmerking is gelaten, wegens een onvoldoende draagkrachtige motivering geen stand houden en komt de aangevallen uitspraak eveneens voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.E.P.M. Bary.