Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL9928
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL9928
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/3696 WIA
Datum uitspraak: 31-03-2010
Wetsartikelen: artt. 4, 5, 6 en 54 Wet WIA / 3:2, 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Toekenning WGA-uitkering en geen IVA-uitkering waarop appellant meent recht te hebben. Onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Er is de Raad niet gebleken van concrete medische gegevens met betrekking tot de aan de ziekmelding voorafgaande periode, zoals het hebben ondergaan van een behandeling of het vertonen van een hoog ziekteverzuim, die aannemelijk maken dat appellant desondanks al vóór de ziekmelding niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. De Raad is van oordeel dat met de enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur volstrekt onvoldoende concreet en toereikend is gemotiveerd dat er op termijn voor appellant een meer dan geringe kans op herstel bestaat. De Raad acht daarbij van belang dat de (bezwaar)verzekeringsartsen herstel in de eerste twee ter beoordeling voorliggende jaren nog niet mogelijk achtten. Onvoldoende duidelijk is gemaakt welke concrete resultaten, in termen van verbetering van de belastbaarheid, er met de behandeling voor appellant kunnen worden bereikt.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/3696 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 mei 2008, 07/2612 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 31 maart 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant heeft zich per 12 januari 2005 ziekgemeld bij het Uwv. Omdat appellant ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken ingevolge de Ziektewet op basis van een rechterlijke machtiging was opgenomen in Psychiatrisch Ziekenhuis Wolfheze, heeft het Uwv op basis van dossiergegevens vastgesteld dat appellant ongeschikt was voor zijn werkzaamheden als uitzendkracht.

1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 17 oktober 2006 onderzocht door verzekeringsarts R.W. Reddingius. Onder meer op grond van informatie van de behandelaars van appellant en zijn maatschappelijk werker, is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant belast is met een ernstige psychiatrische stoornis, namelijk schizofrenie, paranoïde vorm, chronisch. Volgens de verzekeringsarts beschikte appellant ten tijde van het onderzoek op 17 oktober 2006 niet over benutbare mogelijkheden en kon een arbeidskundig onderzoek achterwege blijven. Wel achtte hij verbetering van de belastbaarheid mogelijk "op langere termijn (2 jaar?)", en gaf hij aan dat een professioneel heronderzoek kan worden gepland over 2 jaar.

1.3. Bij besluit van 18 december 2006 is aan appellant met ingang van 10 januari 2007 een loonaanvullingsuitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-loonaanvullingsuitkering) toegekend.

1.4. In het tegen het besluit van 18 december 2006 gemaakte bezwaar heeft appellant betoogd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor 12 januari 2005 is gelegen en dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Voorts heeft appellant betoogd dat het dagloon niet juist is vastgesteld.

1.5.1. In het kader van de heroverweging van de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het besluit van 18 december 2006 komt bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus tot de conclusie dat niet kan worden aangenomen dat appellant duurzaam arbeidsongeschikt is. In haar rapport van 15 mei 2007 merkt deze bezwaarverzekeringsarts daarover het volgende op, waarbij appellant is aangeduid als ‘verzekerde’:
"Gezien het toestandbeeld van verzekerde en de aard van diagnose en behandeling is er geen reden om te veronderstellen dat verzekerde momenteel belastbaar is met arbeid. Wat er ter discussie staat is de kans op verbetering van de beperkingen en de eerste arbeidsongeschiktheidsdatum. Gezien het feit dat er verbetering optreedt bij medicatiegebruik (verzekerde is immers nu al stukken beter dat bij zijn verblijf in het begin van zijn voorarrest) en gezien het feit dat structuur in het leven van verzekerde ook verbetering oplevert, is er niet a priori aan te nemen dat verzekerde blijvend arbeidsongeschikt moet worden gevonden."
Weliswaar acht zij appellant niet belastbaar met arbeid, maar nu medicatiegebruik en structuur in het leven verbetering hebben opgeleverd, kan zij niet meegaan met de stelling dat appellant niet zal verbeteren.

1.5.2. Verder ziet deze bezwaarverzekeringsarts geen reden om een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag aan te nemen, ook al ging het in de loop van 2004 mogelijk al slechter met appellant. De bezwaarverzekeringsarts acht van belang dat appellant tot vlak voor zijn ziekmelding nog via een uitzendbureau heeft gewerkt.

1.6. Bij besluit van 23 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het dagloon gecorrigeerd. Voor het overige is het besluit van 18 december 2006 gehandhaafd.

2. In beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden als in bezwaar met betrekking tot de duurzaamheid en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag naar voren gebracht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant verworpen.

3. Ook in hoger beroep staat de vraag centraal of het Uwv kon uitgaan van 12 januari 2005 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en of het Uwv er terecht en op goede gronden vanuit is gegaan dat er geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.

4.1. Ten aanzien van de eerste vraag overweegt de Raad het volgende.

4.2. Voorafgaand aan de ziekmelding per 12 januari 2005 heeft appellant enige weken gewerkt via een uitzendbureau. Er is de Raad niet gebleken van concrete medische gegevens met betrekking tot de aan 12 januari 2005 voorafgaande periode, zoals het hebben ondergaan van een behandeling of het vertonen van een hoog ziekteverzuim, die aannemelijk maken dat appellant desondanks al voor genoemde datum niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. De omstandigheid dat er bij appellant al langere tijd sprake moet zijn geweest van schizofrenie maakt dit naar oordeel van de Raad niet anders. Uit het belast zijn met een bepaalde ziekte volgt immers niet zonder meer dat appellant voor 12 januari 2005 al in relevante mate arbeidsbeperkingen ondervond.

4.3. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad het betoog van appellant over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag doel treffen.

5.1. Ten aanzien van de tweede vraag overweegt de Raad het volgende.

5.2. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Volgens het derde lid van artikel 4 van de Wet WIA wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

5.3. In zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) heeft de Raad overwogen dat de verzekeringsarts zich blijkens de wetsgeschiedenis een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Die inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste ter beoordeling voorliggende jaar en in de jaren daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat voor de individuele verzekerde. Als van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar, dient de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel concreet en toereikend te worden onderbouwd. De Raad verwijst voorts naar zijn uitspraak van 20 mei 2009, LJN BI5280.

5.4. De Raad stelt vast dat verzekeringsarts Reddingius verbetering van de belastbaarheid mogelijk achtte op langere termijn. In het rapport van 17 oktober 2006 staat achter die conclusie - tussen haakjes en met een vraagteken erbij - een termijn van 2 jaar vermeld. De verzekeringsarts heeft in genoemd rapport niet met zoveel woorden aangegeven op grond waarvan aangenomen moet worden dat appellant op langere termijn zal herstellen.

5.5. Bezwaarverzekeringsarts Slebus acht blijkens het hiervoor geciteerde rapport van 15 mei 2007 herstel niet uitgesloten, omdat medicatie en structuur tot verbetering van de beperkingen kunnen leiden. In de rapporten van 14 augustus 2007 en 16 september 2008 herhaalt deze bezwaarverzekeringsarts deze stellingname. In laatstgenoemd rapport voegt deze bezwaarverzekeringsarts daar nog aan toe dat wanneer medicatie en structuur op termijn geen effect sorteren, dat niet afdoet aan de legitimiteit van de overwegingen om op de datum in geding geen blijvende arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

5.6. De Raad is van oordeel dat met de enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur volstrekt onvoldoende concreet en toereikend is gemotiveerd dat er op termijn voor appellant een meer dan geringe kans op herstel bestaat. De Raad acht daarbij van belang dat de (bezwaar)verzekeringsartsen herstel in de eerste twee ter beoordeling voorliggende jaren nog niet mogelijk achtten. Onvoldoende duidelijk is gemaakt welke concrete resultaten, in termen van verbetering van de belastbaarheid, er met de behandeling voor appellant kunnen worden bereikt. Dit betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, nu het onzorgvuldig is voorbereid wat betreft de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is en het, wat betreft dit aspect, niet op een toereikende motivering berust.

5.7. De omstandigheid dat de gezondheidstoestand van appellant na zijn detentie in 2005 is verbeterd dankzij medicatie en structuur kan hieraan op zichzelf niet afdoen, alleen al omdat de verzekeringsarts aanneemt dat er ten tijde van zijn onderzoek op 17 oktober 2006 geen arbeidsmogelijkheden aanwezig zijn en herstel binnen een jaar na die datum niet valt te verwachten.

6. De Raad komt tot de slotsom dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

7. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, en € 10,80 voor reiskosten in hoger beroep en op € 644,-voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.298,80.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.298,80 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) D.E.P.M. Bary.