Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BM2700
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BM2700
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 09/4807 WIA en 09/4808 WIA
Datum uitspraak: 28-04-2010
Wetsartikelen: artt. 5, 6, 50 en 57 Wet WIA / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het UWV voldoet niet aan de bewijslast. Het samengevatte rapport van de bezwaarverzekeringsarts stelt naar het oordeel van de Raad niet buiten twijfel dat de toegenomen beperkingen een andere ziekteoorzaak hebben dan die in verband waarmee appellant tot 1 september 2007 een WAO-uitkering genoot. De bezwaarverzekeringsarts legt in dat rapport zelf het verband tussen de toegenomen beperkingen en persoonlijkheidsstoornis. Verder neemt de Raad in aanmerking dat diverse oudere medische rapporten melding maken van psychische problematiek, zoals het medisch onderzoeksverslag van 1 maart 2000 en het attest van de huisarts van 30 januari 2001. De verzekeringsarts vermeldt uit de medische voorgeschiedenis "somatoforme stoornis" en "surmenage klachten", vindt bij zijn onderzoek op 25 april 2006 geen "evidente tekenen van grove psychopathologie" en neemt in de FML in de rubriek persoonlijk functioneren beperkingen op. Het bestreden besluit ontbeert een voldoende draadkrachtige motivering.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/4807 WIA en 09/4808 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 juli 2009, 08/1420 en 08/2038 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 28 april 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant stelde mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep in en zond nadere stukken aan de Raad.

Het Uwv voerde verweer.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 19 maart 2010, waar namens appellant mr. Verkoeijen verscheen en het Uwv zich liet vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.




II. OVERWEGINGEN


1. Het beroep richt zich tegen de besluiten van 31 juli 2008 en 18 november 2008 ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij handhaaft het Uwv zijn besluiten van 27 maart 2007 en 25 juni 2008.

2. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.

3.1. De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze vaststelde. Zij zijn door partijen niet betwist en komen op het volgende neer.

3.2.1. Appellant werkte laatstelijk als horecamedewerker. Hij meldde zich in augustus 1999 ziek met pijnklachten, later geduid als fibromyalgie.

3.2.2. Het Uwv kende appellant met ingang van 20 augustus 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

3.2.3. Het Uwv beëindigde deze WAO-uitkering met ingang van 19 maart 2001, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15% was afgenomen. Aansluitend kende het Uwv aan appellant een werkloosheidsuitkering toe.

3.2.4. Vanuit die situatie meldde appellant zich vanaf augustus 2004 verschillende keren ziek wegens pijnklachten en depressieve klachten.

3.3.1. Op 25 april 2006 en 13 juli 2006 onderzocht de verzekeringsarts appellant. Bij het oriënterend psychiatrisch onderzoek constateert de verzekeringsarts dat appellant zich fixeert op zijn klachten, maar hij vindt geen aanwijzingen voor een psychiatrisch toestandsbeeld. De verzekeringsarts verkreeg ook informatie van de appellant behandelend reumatoloog en vervat de voor appellant geldende medische arbeidsbeperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

3.3.2. Uit het daaropvolgende arbeidskundig onderzoek kwam naar voren dat appellant op medische gronden zijn eigen werk niet langer kan verrichten. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.

3.3.3. Vanaf 28 augustus 2006 was appellant opgenomen in een revalidatiekliniek en aansluitend volgde hij tot in december 2006 gedurende twee dagen per week therapie.

3.3.4. Met een besluit van 5 september 2006 kende het Uwv met ingang van 28 augustus 2006 aan appellant een WGA-uitkering toe. Op die dag is appellant volgens het Uwv volledig arbeidsongeschikt, want de ziekenhuisopname en aansluitende therapie stonden aan het vinden van voor appellant geschikte functies in de weg.

3.4.1. De verzekeringsarts onderzocht appellant opnieuw op 22 januari 2007. Omdat inmiddels de therapie was geëindigd, verklaarde de verzekeringsarts de eerder door hem opgestelde FML (weer) geldig.

3.4.2. Aan de hand van die FML selecteerde de arbeidsdeskundige functies waarvan de belasting de grenzen van de belastbaarheid van appellant niet overtreffen. Het loonverlies becijfert de arbeidsdeskundige op nihil.

3.5. Met het besluit van 27 maart 2007 beëindigde het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 1 september 2007, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid tot minder dan 35% was afgenomen.

3.6.1. Vanaf november 2007 kwam appellant onder psychiatrische behandeling. Hij deed in die maand een poging tot zelfdoding. De psychiater sloot het eerste behandelcontact af op 11 februari 2008 met als diagnose aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming en een persoonlijkheidsstoornis met cluster B en C trekken.

3.6.2. In april 2008 deed appellant opnieuw een poging tot zelfdoding en verwees de huisarts hem wederom voor psychiatrische behandeling.

3.6.3. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat hierdoor medische beperkingen zijn ontstaan en ook hierover verschillen partijen niet van mening.

3.6.4. De bezwaarverzekeringsarts is echter van mening dat die beperkingen een andere medische oorzaak hebben dan die eerder tot de toekenning van een WGA-uitkering leidden. Aan de persoonlijkheidsstoornis schrijft de bezwaarverzekeringsarts toe dat appellant pogingen tot zelfdoding deed als een methode om aandacht te vragen. De uitingen van die persoonlijkheidsstoornis zijn echter in algemene zin vrij stabiel. Persoonskenmerken spelen ook een belangrijke rol in het eerdere, lichamelijk gerichte klachtenpatroon (de fibromyalgie). Maar bij de eerdere verzekeringsgeneeskundige onderzoeken was geen sprake van een psychiatrische stoornis en een dergelijk beeld speelde dan ook geen rol bij de eerdere toekenning van een WIA-uitkering.

4.1.1. In hoger beroep herhaalt appellant zijn stelling dat zijn medische beperkingen in de FML zijn onderschat. De bezwaarverzekeringsarts beschouwt fibromyalgie ten onrechte als "geen klassieke ziekte", nu de aandoening door de Wereldgezondheidsorganisatie in het OCD-10 is opgenomen. Appellant betwist dat sprake is van een eindtoestand, want hij staat nog steeds onder medische behandeling. Verder voert hij aan dat de aan hem voorgehouden functies voor hem niet geschikt zijn.

4.1.2. Ter onderbouwing beroept appellant zich op een verklaring van de hem behandelende reumatoloog van 8 augustus 2007. Deze arts sluit reuma als oorzaak uit. Er is sprake van een hardnekkig pijnpatroon vanuit de bindweefsels. De klachten beschrijft deze arts als klimaatgebonden. Het beeld is wisselend en de maximale arbeidsbelastbaarheid lijkt drie tot vier uur per dag in verband met snel optredende vermoeidheid.

4.1.3. Volgens appellant is de functie wikkelaar voor hem niet toegankelijk, omdat hij vanwege leer-, concentratie- en geheugenproblemen de vereiste (interne) opleiding niet kan volgen. Uit de beschrijving van de functie parkinghost leidt appellant af dat deze functie wisselende diensten kent.

4.2. Ten slotte betoogt appellant in hoger beroep opnieuw dat hij ook al in 2006 psychische klachten had en daarover toen met een psycholoog sprak. Uit de verklaring van zijn huisarts van 10 januari 2008, inhoudende dat de pijnen en zijn verminderde belastbaarheid zo ernstig zijn, dat deze in 2007 tot een forse depressie leidden, ontleent appellant dat de fibromyalgie waaraan hij lijdt de oorzaak is van de depressie.

5.1.1. De Raad is het met de rechtbank eens dat de FML de beperkingen van appellant juist weergeeft. De door appellant overgelegde verklaring van de hem behandelende reumatoloog vormt onvoldoende steun voor zijn stelling dat een duurbeperking is aangewezen. Dat deel van de verklaring is veeleer een beschrijving van de subjectieve klacht van appellant; een onderbouwing van de geneeskundige noodzaak van een duurbeperking ontbreekt. Een andere medische onderbouwing van de stellingen van appellant ontbreekt.

5.1.2. De (bezwaar-)verzekeringsarts is uitgegaan van medische beperkingen, veroorzaakt door fibromyalgie. Daarmee mist het betoog van appellant over de vraag of sprake is van een (erkende) ziekte betekenis.

5.1.3. De enkele omstandigheid dat de gezondheidstoestand van appellant door de in 2007 ingezette medische behandeling kan verbeteren, doet aan de vorige overwegingen niet af.

5.2.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de geschiktheid van de functies door de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende is toegelicht.

5.2.2. Ook als de in 4.1.3 weergegeven beroepsgrond tot het vervallen van die beide functies aanleiding zou geven, resteren voldoende functies om daarop de schatting te baseren en bedraagt het loonverlies minder dan 35%. Die beroepsgrond kan daarom onbesproken blijven.

5.3.1. Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaande een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.

5.3.2. Tussen partijen is in geschil of de toegenomen medische beperkingen voortkomen uit dezelfde oorzaak op grond waarvan appellant tot 1 september 2007 recht had op WGA-uitkering.

5.4.1. Voor de uitleg van het begrip dezelfde oorzaak sluit de Raad aan bij zijn rechtspraak over de artikelen 39a en 43a van de WAO.

5.4.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2004, LJN AP0012, dat buiten twijfel dient te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a (of artikel 39a) van de WAO niet van toepassing zijn. Dat geldt evenzeer voor de toepassing van de artikelen 50, eerste lid, aanhef en onder b, en 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

5.5.1. De bewijslast rust in beginsel op degene die het standpunt huldigt dat er geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval, in dit geval dus het Uwv.

5.5.2. Aan die bewijslast voldoet het Uwv in dit geval niet. Het onder 3.6.4 samengevatte rapport van de bezwaarverzekeringsarts stelt naar het oordeel van de Raad niet buiten twijfel dat de toegenomen beperkingen een andere ziekteoorzaak hebben dan die in verband waarmee appellant tot 1 september 2007 een WAO-uitkering genoot. De bezwaarverzekeringsarts legt in dat rapport zelf het verband tussen de toegenomen beperkingen en persoonlijkheidsstoornis. Verder neemt de Raad in aanmerking dat diverse oudere medische rapporten melding maken van psychische problematiek, zoals het medisch onderzoeksverslag van 1 maart 2000 (“Daardoor ontstonden problemen met de baas, waardoor belanghebbende ook psychisch wat problemen kreeg”), het attest van de huisarts van 30 januari 2001 (“heb ik hem onder de diagnose gemaskeerde depressie Seroxat voorgeschreven”). De verzekeringsarts vermeldt uit de medische voorgeschiedenis “somatoforme stoornis” en “surmenage klachten”, vindt bij zijn onderzoek op 25 april 2006 geen “evidente tekenen van grove psychopathologie” en neemt in de FML in de rubriek persoonlijk functioneren beperkingen op.

5.6. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit onderdeel een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert en wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

6. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond is verklaard. Dat beroep is gegrond en het besluit van 18 november 2008 zal de Raad vernietigen met de opdracht aan het Uwv om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2008.

7.1. De Raad zal het Uwv veroordelen in de kosten, die appellant in verband met de hem verleende rechtsbijstand heeft gemaakt, voor het geding bij de rechtbank begroot op € 644,00 en voor het hoger beroep op € 644,00.

7.2. Over het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente en de in bezwaar gevallen kosten kan de Raad thans geen beslissing nemen. Het Uwv zal daarover in zijn nadere beslissing op het bezwaar een besluit moeten nemen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 november 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juni 2008;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Veroordeelt het Uwv om aan appellant de gedingkosten tot € 1.288,00 te vergoeden, te betalen aan de griffier van de Raad.
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 149,- (eerste aanleg en hoger beroep) vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.