Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BN5543
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BN5543
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: herziening
Zaaknummer: 09/5550 WIA
Datum uitspraak: 27-08-2010
Wetsartikelen: art. 8:119 Awb
Essentie: Afwijzing verzoek om herziening omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/5550 WIA




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 september 2009, 08/3039 WIA,

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010.



I. PROCESVERLOOP


Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010.
Namens verzoekster is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv was - met kennisgeving - niet vertegenwoordigd.




II. OVERWEGINGEN


1. Bij de uitspraak van de Raad, waarvan herziening is verzocht, heeft de Raad, oordelend op het hoger beroep van verzoekster, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2008, 07/2900 bevestigd.

2. Verzoekster acht herziening van de uitspraak aangewezen omdat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv niet volledig is geweest. Eerst indien dit onderzoek volledig en zorgvuldig wordt uitgevoerd, is verzoekster in staat nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren. Voorts zijn in de uitspraak van de Raad niet alle medische feiten en omstandigheden vermeld, is er sprake van een foutieve uitleg van de eigen jurisprudentie van de Raad en een onjuiste opvatting omtrent de bewijslastverdeling, zodat ook om deze redenen herziening aangewezen is.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden voor de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2. Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982), kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet herziening aangewezen is. Een hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.

3.3. De gemachtigde van verzoekster heeft het verzoek toegelicht in een uitvoerig schrijven van 9 november 2009 met in essentie dezelfde gronden en argumenten als in eerdere verzoeken in andere zaken. Deze verzoeken zijn door de Raad, zoals ook ter zitting met de gemachtigde is besproken, niet ingewilligd omdat geen feit of omstandigheid naar voren was gebracht in de zin van even genoemd artikel 8:88 van de Awb. De Raad verwijst naar bijvoorbeeld zijn uitspraak van 17 februari 2010 (LJN BL4299). In deze uitspraak heeft de Raad het standpunt van verzoekster inzake het onvoldoende onderzoek door de verzekeringsartsen niet als zodanig aangemerkt en wat betreft de overige gronden en argumenten verwezen naar zijn uitspraak van 16 september 2009 (LJN BJ8237). Ook in het onderhavige geval heeft de gemachtigde geen feit of omstandigheid als even bedoeld naar voren gebracht, zodat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een ander partij ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.