Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BN6721
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BN6721
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/4560 WIA
Datum uitspraak: 10-09-2010
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA
Essentie: Weigering WIA-uitkering. De Raad heeft een onafhankelijk deskundige ingeschakeld, die tot de conclusie is gekomen dat bij appellante geen sprake is van ziekte of gebrek op psychisch gebied. Haar problematiek ligt in haar persoonlijkheid. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en acht appellante in staat de voor haar geselecteerde functies te verrichten. Er is geen reden om het oordeel van deze deskundige niet te volgen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 09/4560 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 juli 2009, 08/3271 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 september 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.J.C.M. Rouws, advocaat te Berlicum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2010. Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Rouws. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde een onafhankelijke deskundige te laten rapporteren omtrent de gezondheidstoestand van appellante.

De deskundige, psychiater B.J. van Eyk, heeft op 31 mei 2010 omtrent de gezondheidstoestand van appellante gerapporteerd. Zijdens appellante is daarop gereageerd. Desgevraagd heeft Van Eyk zijn standpunt toegelicht. Vervolgens is namens appellante een nadere reactie ingezonden.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder verdere zitting af te doen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante heeft zich op 17 mei 2006 met psychische klachten ziek gemeld vanuit een werkloosheidssituatie.

1.2. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3. Bij besluit op bezwaar van 27 augustus 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen. De artsen hebben de psychische problematiek van appellante onderkend en de informatie van de behandelende sector in voldoende mate bij hun beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid onjuist dan wel onvoldoende zouden moeten worden geacht. De door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperkingen zijn in overeenstemming met het psychologische rapport van 23 januari 2008. Dat appellante in het kader van de WSW meer beperkt is geacht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. De rechtbank acht de voor appellante geselecteerde functies passend.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft met name op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Zij acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank geen deskundigenonderzoek heeft laten verrichten. Zij kan de geduide functies van medewerker administratieve ondersteuning en inpakker niet verrichten omdat daarin een bijzondere belasting voorkomt op het punt samenwerken.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De deskundige Van Eyk heeft appellante onderzocht, tweeënhalf uur met haar gesproken en met haar vader gesproken. In zijn uitgebreide rapport van 31 mei 2010 komt hij tot de conclusie dat bij appellante geen sprake is van ziekte of gebrek op psychisch gebied. Haar problematiek ligt in haar persoonlijkheid. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en acht appellante in staat de voor haar geselecteerde functies te verrichten.

4.3. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat standpunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De deskundige heeft kennis genomen van de visie van de behandelaar van appellante en in zijn rapport aangegeven waarom hij die visie niet deelt. De Raad acht deze motivering overtuigend en het door de deskundige verrichte onderzoek zorgvuldig en volledig. Bovendien strookt de conclusie van de deskundige met de resultaten van het psychologisch onderzoek d.d. 23 januari 2008, terwijl ook de huisarts aangeeft dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.

4.4. Mede gelet op de conclusie van de deskundige ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten.

4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.