Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BO1598
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BO1598
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/398 WIA
Datum uitspraak: 15-10-2010
Wetsartikelen: artt. 4, 5, 6 en 54 Wet WIA
Essentie: Toekenning WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 100% en geen IVA-uitkering waarop appellante meent recht te hebben. Het UWV heeft de arbeidsongeschiktheid van appellante - medisch gezien - terecht en op goede gronden niet als duurzaam aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 10/398 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 december 2009, 09/363 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 oktober 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 7 april 2010 heeft het Uwv een rapport overgelegd van bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen van dezelfde datum. Tevens heeft het Uwv op 16 juli 2010 enkele vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde mr. Alaca. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was voorheen werkzaam als tomatenplukster. Zij heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet met ingang van 13 november 2006 arbeidsongeschikt gemeld met fysieke en psychische klachten.

1.2. Op 8 juli 2008 heeft appellante een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Verzekeringsarts B.J.E. de Veen heeft een psychisch onderzoek verricht en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld.

1.3. Bij besluit van 2 september 2008 heeft het Uwv, mede gelet op het rapport van arbeidsdeskundige T. van den Broeke van 21 augustus 2008, vastgesteld dat appellante per 10 november 2008 geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering omdat appellante voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts Tjen appellante laten onderzoeken door psychiater Y. Güzelcan. Uit diens expertiserapport van 30 januari 2009 komt naar voren dat deze psychiater op grond van het door hem ingestelde onderzoek als diagnose heeft gesteld: depressieve stoornis, ernstig recidiverend en paniekstoornis met agorafobie. Daarnaast heeft appellante volgens de psychiater veel verschillende lichamelijke klachten. Volgens Güzelcan heeft appellante een klinische behandeling nodig voor haar depressieve en angstklachten alsmede ter uitsluiting van een somatische oorzaak van haar klachten. Naar aanleiding van het expertiserapport heeft Tjen in een rapport van 4 februari 2009 appellante meer beperkt geacht in het persoonlijk en sociaal functioneren en heeft hij de FML hierop aangepast. Tjen heeft tevens aangegeven dat gezien de aangegeven behandelmogelijkheden er een meer dan geringe kans op verbetering dan wel herstel bestaat binnen of na een jaar en is er als zodanig geen sprake van duurzame arbeidsbeperkingen.

1.4. Bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens heeft op basis van de aangepaste FML de passendheid van de geduide functies opnieuw beoordeeld. In zijn rapport van 5 februari 2009 heeft hij vastgesteld dat de geduide functies niet meer passend zijn. Het opnieuw raadplegen van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem heeft volgens Leentjens geen toegevoegde waarde nu vooral de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren een te grote rol spelen om een vertaalslag te kunnen maken naar mogelijkheden in gangbare arbeid op de vrije arbeidsmarkt. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 5 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 september 2008 gegrond verklaard. Met ingang van 10 november 2008 heeft appellante recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 100%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aangegeven dat het geschil zich toespitst op de vraag of het Uwv de arbeidsongeschiktheid van appellante - medisch gezien - terecht en op goede gronden niet als duurzaam heeft aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA. De rechtbank heeft hiertoe - kort samengevat - overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts toereikend heeft gemotiveerd dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid.

3.1. In hoger beroep heeft appellante - kort gezegd - aangevoerd dat zij duurzaam arbeidsongeschikt is vanwege de combinatie van psychische en lichamelijke klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft onvoldoende rekening gehouden met de bij haar vastgestelde diagnose fibromyalgie. Tevens is door de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende rekening gehouden met de brief van de behandelend psycholoog N. Dorssers en behandelend psychiater A. Stadbäumer van 11 november 2008. Uit deze brief blijkt, aldus appellante, dat appellante door de angst in sociale situaties en de paniekaanvallen niet in staat is om deel te nemen aan de geadviseerde intensieve behandeling.

3.2. De Raad stelt vast, dat - evenals de rechtbank in eerste aanleg tot uitgangspunt heeft genomen - alleen in geschil is het antwoord op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.2. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts Tjen in zijn rapportage van 4 februari 2009 is ingegaan op de informatie van de behandelend specialisten van appellante en de informatie van de door hem ingeschakelde psychiater Güzelcan, die in bezwaar is ingebracht. In deze rapportage, in samenhang met de rapportage van 7 april 2010, heeft Tjen uitvoerig en gemotiveerd uiteengezet waarom niet moet worden uitgegaan van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en dat de verwachting is dat de arbeidsmogelijkheden van appellante zullen toenemen als zij zich onder behandeling stelt.

4.3. De uiteenzetting van Tjen overtuigt de Raad van een juiste inschatting op de in geding zijnde datum van de herstelkansen van appellante. Daarbij acht de Raad van belang dat de behandelend psycholoog N. Dorssers en behandelend psychiater A. Stadbäumer blijkens de brief van 11 november 2008 aangegeven heeft dat de depressieve klachten zijn verminderd en met medicatie worden behandeld. Tevens blijkt uit deze brief dat getracht zal worden om appellante geleidelijk te activeren en deel te laten nemen aan een activiteitenprogramma. Uit de rapportage van 30 januari 2009 van psychiater Güzelcan komt naar voren dat appellante in plaats van behandeling met medicatie opgenomen dient te worden op de afdeling psychiatrie van een algemeen ziekenhuis omdat daar haar angst en depressieve klachten behandeld kunnen worden en haar lichamelijke klachten en problemen gediagnosticeerd en behandeld kunnen worden. De prognose van appellante ziet er slecht uit indien zij niet verder somatisch gescreend en behandeld wordt. Gelet op deze gegevens heeft Tjen naar het oordeel van de Raad een zorgvuldige en deugdelijke afweging gemaakt door aan te geven dat sprake was van een reële herstelverwachting als appellante van de beschikbare behandelmogelijkheden gebruik zou maken. De Raad is van oordeel dat, voor zover van mogelijke medische behandelingen geen resultaat te verwachten viel zolang de psychosociale situatie van appellante ongewijzigd bleef, van haar kon worden verlangd dat zij mogelijkheden benutte om daarin verandering aan te brengen. Het is de Raad niet gebleken dat voor appellante mogelijkheden hebben ontbroken voor hulp bij verwerking van haar problemen en hulp bij het opstarten van deelname aan een activiteitenprogramma. Ter zitting bij de Raad heeft de gemachtigde van appellante op zich het standpunt van het Uwv niet bestreden dat van appellante kan worden verlangd dat zij zich aan therapeutische adviezen houdt. Uit de in beroep beschikbaar gekomen (medische) informatie valt naar het oordeel van de Raad niet af te leiden dat het feit dat de door Güzelcan voorgestelde behandeling uiteindelijk in het eerste jaar na de datum in geding niet van de grond is gekomen, moet worden toegeschreven aan medisch-psychiatrische factoren. Veeleer komt naar voren dat er een verband is met een gebrekkige motivatie en een passief verwachtingspatroon van appellante. De Raad concludeert dan ook dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft aangenomen dat kans op verbetering mogelijk is als appellante zich laat behandelen.

4.4. De overwegingen 4.1 tot en met 4.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.