Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BP2202
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BP2202
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/4763 WIA
Datum uitspraak: 26-01-2011
Wetsartikelen: artt. 25 en 65 Wet WIA
Essentie: Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Door het niet verstrekken van de vereiste gegevens heeft appellante niet voldaan aan het bepaalde in artikel 25, derde lid, van de Wet WIA. Mitsdien heeft het UWV terecht vastgesteld dat sprake is van een administratieve tekortkoming, hetgeen aanleiding is geweest om een loonsanctie op te leggen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/4763 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 juli 2009, 09/98 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 januari 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 december 2010, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 17 september 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat appellante niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, nu zij - ook na de gelegenheid te hebben gekregen het verzuim te herstellen - zonder geldige reden heeft nagelaten een compleet re-integratieverslag over te leggen. Bij het opleggen van de loonsanctie heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen twijfel over mogelijk is dat appellante de uit artikel 25 van de Wet WIA voortvloeiende administratieve verplichtingen in verband met de re-integratie van werkneemster niet heeft nageleefd. Voor zover appellante heeft willen betogen dat zulks in hoofdzaak is te wijten aan de arbodienst of aan werkneemster kan dit betoog volgens de rechtbank niet slagen. Het gaat immers om verplichtingen van administratieve aard ten aanzien waarvan appellante zich er niet op kan beroepen dat zij moet afgaan op de deskundigheid van de arbodienst. Voor zover werkneemster haar verplichting ingevolge artikel 25, zesde lid, van de Wet WIA niet zou zijn nagekomen - hetgeen de rechtbank in het midden laat - ontslaat dit appellante niet van haar re-integratieverplichtingen als werkgever en evenmin maakt dit het niet nakomen daarvan verschoonbaar.

3.1. In hoger beroep is door appellante aangevoerd dat de rechtbank in navolging van het Uwv ten onrechte op haar heeft afgewenteld dat werkneemster blijkbaar de opgestelde stukken niet heeft doorgestuurd naar het Uwv. Zij handhaaft derhalve haar standpunt dat haar in deze geen enkel verwijt valt te maken en dat daarom de loonsanctie ten onrechte is opgelegd. Zij stelt dat zij het Uwv er steeds op heeft gewezen dat alle relevante stukken beschikbaar waren en dat daarom de aanvraag al lang had kunnen worden beoordeeld.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat door appellante niet aannemelijk is gemaakt dat zij in augustus 2008 een plan van aanpak, een eerstejaarsevaluatie en een eindevaluatie daarvan naar werkneemster heeft gestuurd en dat de werkgever eindverantwoordelijke blijft voor de verzuimbegeleiding en de re-integratie. Het Uwv heeft dan ook verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante kan worden verweten dat zij niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, omdat het plan van aanpak, de eerstejaarsevaluatie en de eindevaluatie daarvan met betrekking tot werkneemster niet tijdig aan het Uwv zijn overgelegd.

4.3. De Raad onderschrijft het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv voorafgaande aan de indiening van de WIA-aanvraag appellante er reeds bij brief van 9 juli 2008 op heeft gewezen dat de benodigde gegevens dienen te worden verstrekt en dat de op 4 augustus 2008 door de werkneemster ingediende aanvraag niet compleet was. Aan het verzoek van het Uwv van 22 augustus 2008 om de ontbrekende gegevens vóór 1 september 2008 in te sturen heeft appellante evenmin voldaan. Door het niet verstrekken van de vereiste gegevens heeft appellante niet voldaan aan het bepaalde in artikel 25, derde lid, van de Wet WIA. Mitsdien heeft het Uwv terecht vastgesteld dat sprake is van een administratieve tekortkoming, hetgeen aanleiding is geweest om een loonsanctie op te leggen. De door appellante aangevoerde grond dat haar geen verwijt treft omdat zij de stukken naar werkneemster heeft gestuurd, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden nu de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de re-integratieverplichting bij appellante berust. De Raad onderschrijft dan ook het standpunt van het Uwv dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. Dat appellante op 26 januari 2009 alsnog de vereiste gegevens heeft vertrekt, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden nu het herstel van de tekortkoming uitsluitend aan de orde kan komen bij de beantwoording van de vraag of er reden is de duur van de loonsanctie te bekorten.

4.4. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.