Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BP7033
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BP7033
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 08/7054 WIA en 09/1862 WIA
Datum uitspraak: 02-03-2011
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA / 6:18, 6:19, 6:24 en 8:47 Awb
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit genomen met dezelfde inhoud, na een nader arbeidskundig onderzoek. De Raad heeft een onafhankelijke deskundige ingeschakeld, die zich kan verenigen met de vastgestelde FML. Er is geen aanleiding van het oordeel van de deskundige af te wijken. In voldoende mate is aangetoond dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk voor 32 uur per week.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/7054 WIA en 09/1862 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 november 2008, 08/116 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 maart 2011.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. F. van der Wielen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 6 november 2009 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Vervolgens heeft de Raad dr. H.J. Mencke, orthopedisch chirurg te Heerenveen, als deskundige benoemd. Nadat hij appellante op 19 april 2010 had onderzocht, heeft hij rapport uitgebracht. Op dit rapport heeft appellante gereageerd bij brief van 18 juli 2010. Tevens heeft zij een nadere verklaring d.d. 15 juli 2010 van de door haar geraadpleegde bedrijfsarts J.B.T. Schaafsma ingebracht. Op deze laatste verklaring heeft desgevraagd de deskundige Mencke gereageerd bij brief van 19 oktober 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 19 januari 2011, waar appellante is verschenen bijgestaan door mr. Van der Wielen.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.




II. OVERWEGINGEN


1. Appellante is op 1 juli 2003 als arts voor verstandelijk gehandicapten (AVG) in dienst getreden bij de [naam Stichting] te [vestigingsplaats]. Op 20 oktober 2004 is zij wegens ziekte uitgevallen. Na afloop van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is appellante op verzoek van verzekeringsarts onderzocht door de orthopeed dr. C.L.E. Gerritsma-Bleeker, die heeft vastgesteld dat er bij appellante sprake is van rugklachten op basis van een degeneratieve scoliose lumbaal met facet arthrose. Daarnaast is er zeer waarschijnlijk sprake van osteoporose. Vervolgens heeft de arts E.R. Berends rapport uitgebracht, waarin hij heeft vastgesteld dat appellante op grond van de door Gerritsma-Bleeker vastgestelde aandoeningen beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk. Bij besluit van 12 januari 2007 is appellante meegedeeld dat zij per 18 oktober 2006 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

2.1. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Zij heeft onder meer gesteld dat zij niet fulltime kan werken. Ter ondersteuning van haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft, heeft zij nadere medische informatie ingebracht, waaronder een verklaring van voornoemde Schaafsma.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde FML. Na een nader onderzoek naar de belastende elementen in het eigen werk van appellante, waarbij hij onder meer contact heeft gehad met de [naam Stichting], is de bezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk van AVG voor (feitelijk) 32 uren per week. In overeenstemming met dit rapport is het bezwaar van appellante bij besluit van 3 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1. In haar beroepschrift, met bijlagen, heeft appellante haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, gehandhaafd.

3.2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische component van het bestreden besluit. Met de arbeidskundige component daarentegen niet. Het nadere door de bezwaararbeidsdeskundige ingestelde onderzoek heeft weliswaar geleid tot een uitgebreide omschrijving van de maatmanfunctie, maar naar het oordeel van de rechtbank bevat ook deze omschrijving geen adequate beschrijving van de relevante fysieke belastingen die zich in deze functie voordoen. Hierdoor is het naar het oordeel van de rechtbank niet verifieerbaar of deze functie, uitgaande van de beperkingen en belastbaarheid zoals deze zijn neergelegd in de FML, geschikt is voor appellante. De rechtbank is dan ook tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand kan houden en heeft het beroep gegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen is de uitspraak is overwogen. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

4.1. Appellante is in hoger beroep opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank over de juistheid van de FML.

4.2. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige een nader onderzoek naar de relevante fysieke belastingen in het eigen werk van appellante ingesteld. Daarbij heeft hij de werkplek van de AVG bij de [naam Stichting] bezocht en heeft hij overleg gehad met een ex-collega van appellante over de werkomstandigheden in deze functie. Zijn bevindingen heeft hij neergelegd in een rapport van 20 februari 2009. Op basis van dit rapport heeft het Uwv ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank bij besluit van 23 maart 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft het Uwv het standpunt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk gehandhaafd en het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

4.3. Dit nadere besluit, waarmee appellante zich evenmin kan verenigen, heeft de Raad met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb in de procedure betrokken.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval beslissende betekenis moet worden toegekend aan het in rubriek I genoemde rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige Mencke. Deze heeft vastgesteld dat er bij appellante ten tijde van zijn onderzoek sprake was van chronische rug- en nekklachten met als enige bijzondere afwijking een lumbale scoliose. Naar zijn mening heeft deze scoliose geen noemenswaardige ziektebetekenis. Daarnaast heeft hij vastgesteld dat er bij appellante sprake is van bij haar leeftijd passende degeneratieve afwijkingen, alsmede varusgonarthrose van haar knieën, rechts meer dan links. Deze laatste aandoening kan naar zijn mening worden geprovoceerd bij langdurige lopende, tillende en beenbelastende activiteiten. Naar zijn mening was de orthopedische conditie van appellante ten tijde hier in geding zeker niet slechter dan tijdens zijn expertise.

5.3. De Raad is alles afwegende van oordeel dat deze deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. De Raad ziet derhalve geen aanleiding om af te wijken van het in vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat Mencke de door Schaafsma ingenomen standpunten, die onder meer van mening is dat appellante meer beperkingen heeft, in voldoende mate heeft weerlegd.

5.4. Nu de deskundige Mencke zich heeft kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde FML, is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat met de FML een juiste beschrijving is gegeven van de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid.

5.5. In zijn rapport van 20 februari 2009, waarop het besluit van 23 maart 2009 is gebaseerd, heeft de bezwaararbeidsdeskundige naar het oordeel van de Raad de relevante fysieke belastingen in het werk van appellante als AVG in voldoende mate in beeld gebracht en heeft hij aan de hand van de voor appellante vastgestelde FML in voldoende mate gemotiveerd dat appellante geschikt moet worden geacht voor dit werk. Met dit rapport heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad dan ook in voldoende mate aangetoond dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk van AVG voor 32 uur per week.

5.6. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld zijn uitspraak van 2 mei 2007, LJN AB1364) rechtvaardigt de geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Dit is slechts anders indien hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voortdoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Dergelijke omstandigheden acht de Raad in het onderhavige geval niet aanwezig. Het dienstverband van appellante met de Stichting is weliswaar met ingang van 1 oktober 2005 beëindigd maar de Raad is niet gebleken dat soortgelijke werkzaamheden als appellante bij deze stichting heeft verricht, elders niet voorhanden zijn. Dit betekent dat het besluit van 23 maart 2009 op goede gronden berust en in rechte stand kan houden.

5.7. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd en dat het beroep tegen het besluit 23 maart 2009 ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 mei 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.