Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BQ3339
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3339
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/2367 WIA
Datum uitspraak: 29-04-2011
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA
Essentie: Weigering WIA-uitkering omdat appellante weer geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid en, zonder dat sprake is van loonverlies, voor de geduide functies. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Het UWV heeft de belastbaarheid van appellante niet overschat; zij wordt geschikt geacht voor haar eigen werk als administratief medewerkster/telefoniste. Appellantes maatmanarbeid is niet zo specifiek dat deze qua beloning en belasting niet of nauwelijks voorhanden zou zijn.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 10/2367 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 31 maart 2010, 09/290 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2011.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft in een schrijven van 3 maart 2011 nadere gronden van beroep ingediend, met bijlagen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011, waar appellante (met bericht) niet is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van der Weert.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante heeft zich op 26 oktober 2005 met vermoeidheidsklachten alsmede nek- en hoofdpijnklachten ziek gemeld voor haar werk als administratief medewerkster/ telefoniste voor gemiddeld 16 uur per week.

1.2. Op 4 juli 2007 heeft appellante bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3. Appellante is op 21 september 2007 onderzocht door verzekeringsarts M. van de Wiel. De verzekeringsarts heeft kennis genomen van onder meer de brieven van neuroloog A.G.M. Borggreve van 3 februari 2006, bedrijfsarts W. Maasen van 22 juni 2007, en van revalidatiearts A.G. Oudenaarden van centrum voor revalidatie Het Roessingh van 28 augustus 2007. De verzekeringsarts heeft de diagnose fibromyalgie en whiplashtrauma gesteld en enige beperkingen in de belastbaarheid aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Voor een urenbeperking zag de verzekeringsarts geen aanleiding. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 september 2007.

1.4. Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken, waarin appellante recht heeft op loon tijdens ziekte, met 52 weken verlengd, omdat haar werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

1.5. Op 31 oktober 2008 heeft Van de Wiel opnieuw een rapportage uitgebracht. Daarin heeft hij de mogelijkheden van appellante per 22 oktober 2008 beoordeeld. De verzekeringsarts heeft, behoudens een verminderde gehoorsfunctie, geen wijzigingen geconstateerd ten opzichte van de beoordeling van 21 september 2007. De verzekeringsarts heeft een gewijzigde FML opgesteld.

1.6. Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens vastgesteld dat appellante weer geschikt was te achten voor haar maatgevende arbeid en, zonder dat sprake was van loonverlies, voor geduide functies. Dienovereenkomstig werd bij besluit van 21 november 2008 vastgesteld dat met ingang van 22 oktober 2008 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering.

1.7. Na weging van de beschikbare medische informatie, waaronder de journaaluitdraai van huisarts G.C. Hasseler Es van 9 januari 2009, heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Achterberg in zijn rapport van 20 februari 2009 geconcludeerd dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling gehandhaafd kan blijven. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 februari 2009 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 november 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 februari 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangegeven dat de zitting van de rechtbank volledig was toegespitst op objectief vastgestelde medische beperkingen en dat er volledig is voorbijgegaan aan de whiplashklachten en het fibromyalgie syndroom. Appellante is van mening dat haar klachten en beperkingen niet serieus zijn genomen. Zij acht zich meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Appellante heeft met nadruk aangegeven dat zij niet liegt. Het frustreert haar in hoge mate dat niemand wil geloven dat zij echt niet kan werken.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat verzekeringsarts Van de Wiel een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht en dat de bezwaarverzekeringsarts het dossier heeft bestudeerd en de aanwezige medische informatie bij zijn oordeel heeft betrokken. Dat de bezwaarverzekeringsarts daarbij een andere waarde hecht aan de medische stukken en met name de brief van bedrijfsarts Maasen van 11 juli 2007 maakt echter niet dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de in het dossier aanwezige medische informatie niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat.Ter zitting is van de zijde van het Uwv gereageerd op de in hoger beroep overgelegde medische informatie, waaronder een schrijven van reumatoloog dr. H.H. Kuper van 25 augustus 2010, waarin de reumatoloog meldt dat bij appellante sprake is van een chronisch diffuus pijnsyndroom passend in het kader van een fibromyalgie en dat er geen aanwijzingen zijn voor SLE of reumatoïde artritis. De Raad is met het Uwv van oordeel dat de in hoger beroep overgelegde informatie geen ander licht werpt op de medische situatie van appellante op de datum in geding. Ten slotte merkt de Raad op dat, voor zover appellante zou menen dat door de verzekeringsartsen, wat betreft de door haar geuite klachten, is getwijfeld aan haar goede trouw, daarvoor in het geheel geen aanwijzingen zijn. Het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium vereist echter dat klachten, willen deze bij het vaststellen van de aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking kunnen worden worden genomen, medisch objectiveerbaar dienen te zijn, aldus dat op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten aannemelijk dient te zijn dat die klachten tot beperkingen leiden, dus een belemmering vormen de in aanmerking komende arbeid te verrichten. De omstandigheid dat dergelijke beperkingen in het geval van appellante niet kunnen worden geobjectiveerd, althans niet in de mate waarin zij dat zou wensen, betekent geenszins dat zou worden getwijfeld aan de oprechtheid van appellante inzake haar subjectieve klachtenbeleving.

4.2. De Raad deelt ook het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Uit het arbeidskundige rapport van 16 november 2008 komt voldoende naar voren dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk als administratief medewerkster/telefoniste. Geschiktheid voor de maatmanarbeid rechtvaardigt in beginsel de vooronderstelling dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet meer mogelijk is en zich in het concrete geval bijzonderheden voordoen die de juistheid van die vooronderstelling aantasten. De Raad is van oordeel dat appellantes maatmanarbeid niet zo specifiek is dat deze qua beloning en belasting niet of nauwelijks voorhanden zou zijn.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.