Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BQ6045
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6045
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 09/4768 WIA
Datum uitspraak: 25-05-2011
Wetsartikelen: artt. 25 en 65 Wet WIA
Essentie: Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. De verzekeringsarts heeft op goede gronden geconcludeerd dat de werkneemster over benutbare mogelijkheden beschikte. Het UWV heeft op basis van de beschikbare gegevens terecht geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 09/4768 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2009, 09/555 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 mei 2011.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Namens betrokkene is mr. X. Evers werkzaam bij Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein, verschenen, bijgestaan door [naam directeur] directeur van betrokkene.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster) jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken, en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer van 28 november 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 2 december 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het primaire besluit van 21 augustus 2008 herroepen, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat als uitgangspunt dient te gelden dat betrokkene van het oordeel en advies van de bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid of de consistentie daarvan. Nu van dergelijke omstandigheden niet is gebleken, heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene zich heeft mogen baseren op het oordeel en het advies van de bedrijfsarts en dat, voor zover sprake is van het door betrokkene onvoldoende verrichten van re-integratie-inspanningen, zij daarvoor een deugdelijke grond heeft gehad.

3.1. In hoger beroep is door appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mag uitgaan. Appellant stelt zich op het standpunt dat re-integratie in de eerste plaats en bovenal de verantwoordelijkheid van de werkgever (en de werknemer) is. Betrokkene kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts, maar dat doet niet af aan haar wettelijke verantwoordelijkheid.

3.2. Betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij mocht vertrouwen op de berichten van de Arbodienst, van de werkneemster en haar behandelend artsen en dat zij aldus in alle redelijkheid heeft gehandeld en aan haar re-integratie-inspanningen invulling heeft gegeven. Tevens betoogt betrokkene dat het in de onderhavige zaak medische en arbeidskundige inschattingen en adviezen betreft van onder meer de Arbodienst, waarvan de ongegrondheid niet is komen vast te staan.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 8 juli 2008, van de bezwaarverzekeringsarts van 28 november 2008, van de arbeidsdeskundige van 19 augustus 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 december 2008. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 8 juli 2008 aangegeven dat er voor werkneemster voldoende mogelijkheden resteren die benut kunnen worden. Deze zijn neergelegd in de Kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (kFML) van 17 juli 2008 en gelden vanaf 29 mei 2008, de dag dat werkneemster voor het laatst gezien is door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft zich volgens de verzekeringsarts met name laten leiden door de visie van de werkneemster zelf en heeft ten onrechte geen benutbare mogelijkheden gesteld. Verder is volgens de bezwaarverzekeringsarts de intensiteit van de behandelingen niet zodanig geweest dat deze gedurende de gehele ziekteperiode niet verenigbaar zou zijn geweest met arbeidsinspanningen. De arbeidsdeskundige heeft de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende geacht, terwijl voor dit verzuim geen deugdelijke grond aanwezig was. In zijn rapportage heeft de arbeidsdeskundige - op basis van de rapportage van de verzekeringsarts - aangegeven dat werkneemster voor 20 uur per week belastbaar was maar in het geheel geen werk verrichtte, terwijl er geen sprake was van geen benutbare mogelijkheden. De arbeidsdeskundige stelde vast dat er re-integratie-inspanningen gemist zijn, in ieder geval vanaf 29 mei 2008 en in ieder geval tot 21 augustus 2008, dat dit op een korte periode betrekking had, deed daar niet aan af. De ziekenhuisopname van werkneemster van 8 juli 2008 betrof volgens de arbeidsdeskundige een incident, nu werkneemster op 9 juli 2008 weer thuis was. Op 11 juli 2008 heeft werkneemster doorgegeven dat er niets geconstateerd was en dat de (pijn)klacht waarschijnlijk te wijten was aan verkeerd gebruik van incontinentiemateriaal.

4.3. In de voorhanden gegevens vindt de Raad voldoende steun voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Daartoe wijst de Raad op het rapport van de bedrijfsarts van 29 mei 2008 waarin het actueel oordeel is opgenomen en wordt vermeld dat de werkneemster resterende beperkingen heeft op het gebied van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Met betrekking tot het onderdeel "huidige mogelijkheden tot het verrichten van arbeid" heeft de bedrijfsarts vermeld "uit preventief oogpunt adviseer ik om eerst goed te herstellen, zowel lichamelijk als mentaal." Daaruit kan niet worden afgeleid dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden heeft. De door de verzekeringsarts in de kFML opgenomen beperkingen zijn dan ook in overeenstemming met de resterende beperkingen die de bedrijfsarts op 29 mei 2008 in het actueel oordeel heeft opgenomen. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts dan ook op goede gronden geconcludeerd dat werkneemster over benutbare mogelijkheden beschikte.

4.4. Met betrekking tot het standpunt van betrokkene dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij betrokkene is gelegen. In hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat appellant op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.