Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BR2382
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011: BR2382
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 10/4845 WIA
Datum uitspraak: 20-07-2011
Wetsartikelen: artt. 25 en 65 Wet WIA / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen: verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken. Het UWV heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante vanaf de datum van het tweede deskundigenoordeel tot het einde van de wachttijd alsnog tekort is geschoten en in die periode onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Tegen de achtergrond van het genoemde deskundigenoordeel moet dan ook worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. Vernietiging van de uitspraak en het bestreden besluit.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/4845 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 augustus 2010, 09/817 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2011.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Namens appellante is B. Haveman, werkzaam als HR-manager, verschenen, bijgestaan door mr. drs. M.A. van der Mast, werkzaam bij ArboNed. Het Uwv heeft zich, daartoe door de Raad opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 19 juni 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (hierna: werknemer) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 26 augustus 2009. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 18 november 2008 en van bezwaararbeidsdeskundige R.C. Hooff van 28 januari 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat werknemer niet werkte. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3713, overwogen dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Daarbij is in aanmerking genomen dat er geen aanleiding is om de conclusies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet wordt gevolgd in haar stelling dat, gelet op het deskundigenoordeel van 14 november 2007, sprake is van rechtsonzekerheid, omdat appellante mocht en kon begrijpen dat het deskundigenoordeel niet een allesomvattende beoordeling inhield. Appellante had volgens de rechtbank aan het deskundigenoordeel niet de zekerheid mogen ontlenen dat de door de arbo-arts gehanteerde uitgangspunten mede zijn beoordeeld en bevestigd. Het besluit tot oplegging van de loonsanctie kon mitsdien in rechte stand houden.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij tweemaal een deskundigenoordeel van het Uwv heeft gekregen, waarin is aangegeven dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, terwijl achteraf blijkt dat het Uwv aangeeft dat er geen waarde toegekend kan worden aan het door hem gegeven deskundigenoordeel. Volgens appellante is duidelijk gebleken dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat appellante in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld en wordt verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 30 mei 2008 en van de arbeidsdeskundige van 11 juni 2008. De verzekeringsarts heeft naar aanleiding van de toetsing van het re-integratieverslag aangegeven dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) door de arbo-arts niet juist is opgesteld en dat er daardoor re-integratiekansen zijn gemist. Volgens de verzekeringsarts is er sprake van verminderd benutbare mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek, maar kon werknemer deze mogelijkheden wel duurzaam benutten. De daarbij in acht te nemen beperkingen zijn opgenomen in de door deze arts opgestelde FML van 30 mei 2008. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn en dat daarvoor geen deugdelijke grond is, omdat appellante herplaatsingskansen in spoor 1 voorbij heeft laten gaan, ofwel door verkeerd te zoeken in spoor 1 of door te vroege start van spoor 2. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 18 november 2008 gemotiveerd aangegeven dat de verzekeringsarts terecht heeft gesteld dat werknemer op de datum van het actueel oordeel en op de datum van zijn onderzoek belastbaar was voor arbeid met minder beperkingen dan de bedrijfsarts van mening was. De bezwaararbeidsdeskundige heeft, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige.

4.4. De Raad overweegt dat uit de voorhanden gedingstukken blijkt dat appellante op 12 maart 2007 aan het Uwv heeft verzocht om een deskundigenoordeel. In reactie hierop heeft de arbeidsdeskundige bij brief van 19 maart 2007 aan appellante meegedeeld dat hij op grond van de resultaten van zijn onderzoek van oordeel was dat de werknemer beperkingen had, maar dat dit niet wegneemt dat er sprake was van benutbare mogelijkheden en dat de werknemer in staat was om deel te nemen aan re-integratie-activiteiten. In de tweede aanvraag om een deskundigenoordeel, door het Uwv ontvangen op 6 november 2007, heeft appellante als vraagstelling geformuleerd “toetsing of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer voldoende zijn”. In antwoord hierop heeft de arbeidsdeskundige bij brief van 14 november 2007 meegedeeld dat appellante tot dat moment voldoende re-integratie-inspanningen heeft ontplooid om werknemer te begeleiden naar passende arbeid. Gelet op de vraagstelling van appellante en het antwoord van het Uwv is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het appellante niet duidelijk kon zijn dat zij niet mocht uitgaan van het deskundigenoordeel. Van enig voorbehoud, dat de door de arbo-arts gehanteerde uitgangspunten niet mede zijn beoordeeld en bevestigd in het deskundigenoordeel, is niet gebleken. Dat het Uwv naar aanleiding van het tweede verzoek van appellante om een deskundigenoordeel heeft volstaan met een arbeidskundige beoordeling en niet tevens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft laten instellen, kan naar het oordeel van de Raad niet aan appellante worden tegengeworpen. Het Uwv kan dan ook worden gehouden aan het deskundigenoordeel, inhoudende dat appellante tot dat moment voldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Op basis van dat oordeel ligt het voor de hand dat appellante de ingeslagen weg heeft voortgezet en het re-integratietraject in het tweede spoor heeft vervolgd op de wijze en in de mate zoals zij al deed, tot het moment waarop het outplacementtraject met een eindverslag in mei 2008 werd afgerond. Het Uwv heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat appellante vanaf de datum van het tweede deskundigenoordeel tot het einde van de wachttijd alsnog tekort is geschoten en in die periode onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Tegen de achtergrond van het genoemde deskundigenoordeel moet dan ook worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust en mitsdien moet worden vernietigd.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, het beroep zal gegrond worden verklaard, het besluit van 4 februari 2009 zal worden vernietigd en het besluit van 19 juni 2008 zal worden herroepen.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.081,- .




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 februari 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het besluit van 19 juni 2008;
Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.081,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 745,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.