Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BS8891
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2011:BS8891
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: voorlopige voorziening
Zaaknummer: 11/4697 WIA-VV
Datum uitspraak: 12-09-2011
Wetsartikelen: artt. 5 en 6 Wet WIA / 8:81 Awb
Essentie: Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Nu verzoeker niet over enige inkomsten beschikt, is er sprake van spoedeisend belang. Het hoger beroep heeft geen kans van slagen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter 11/4697 WIA-VV




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2010, 09/5018 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 september 2011.




I. PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft bij brief van 4 augustus 2011 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Bij brief van 18 augustus 2011 is het verzoek nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. J. Ruijs, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

2.1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het Uwv verzoeker meegedeeld dat met ingang van 31 maart 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Bij besluit van 8 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 7 april 2009 ongegrond verklaard.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarnaast is verzocht een voorlopige voorziening te treffen, nu verzoeker geen inkomen heeft.

4.1. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.2. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoeker een brief van de hem behandelend psychiater van 1 augustus 2011 overgelegd, waarin is vermeld dat voor een succesvolle behandeling van zijn problemen de stabilisatie van de inkomsten van groot belang is.

4.3. Desgevraagd heeft verzoeker laten weten niet in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering, aangezien hij thans geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verzoeker ontvangt op het moment dan ook geen uitkering.

4.4. Nu verzoeker niet over enige inkomsten beschikt, is er sprake van spoedeisend belang.

4.5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het hoger beroep van verzoeker evenwel geen kans van slagen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de rechtbank met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden de juiste feiten in ogenschouw heeft genomen en het juiste toetsingskader heeft toegepast. De rechtbank heeft naar aanleiding van de beroepsgronden van verzoeker de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken beoordeeld, die in het kader van de bestreden besluitvorming door het Uwv zijn verricht. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Verzoeker heeft geen gegevens in het geding gebracht die aanleiding geven voor twijfel aan de deugdelijkheid van die grondslag. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Rijnen.