Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BV2298
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BV2298
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/4323 WIA
Datum uitspraak: 27-01-2012
Wetsartikelen: artt. 5, 6 en 54 Wet WIA / 8:70 Awb
Essentie: Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 35,94%. In de situatie van appellante maakt het voor de hoogte van haar uitkering niet uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. Het hoger beroep wordt wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/4323 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 juni 2011, 10/1011 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 januari 2012.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.J.H. Roebroek, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Roebroek. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.M.P.F. Oosterbos.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 22 juni 2009 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat zij op deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit van 12 februari 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante hiertegen gegrond verklaard en appellante meegedeeld dat zij vanaf 22 juni 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering krijgt. Daarbij is vastgesteld dat appellante meer dan 35% maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, namelijk 35,94.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Ter zitting heeft appellante desgevraagd aangegeven dat zij geen aanspraak wil maken op een IVA-uitkering, maar op een WGA-uitkering met een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage dan 35,94.

4.1. De Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of appellante, nu het besluit van 12 februari 2010 de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering behelst, voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals neergelegd in de uitspraak van 24 november 2010, LJN BO4946, en de uitspraak van 15 april 2011, LJN BQ1755) is daarvoor bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.2. De Raad overweegt dat het in de situatie van appellante voor de hoogte van haar uitkering niet uitmaakt wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. De in geding zijnde loongerelateerde WGA-uitkering is per 22 november 2011 geëindigd, in verband waarmee appellante een nieuw besluit heeft ontvangen waartegen zij - indien zij het daar niet mee eens is - bezwaar kan maken. Het staat appellante vrij om in het kader van die beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid alle relevant geachte medische en/of arbeidskundige bezwaren aan te voeren, ook de bezwaren die in de onderhavige procedure zijn aangevoerd.
Daarnaast stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat appellante gedurende de looptijd van het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering gevolgen heeft ondervonden als gevolg van (eventueel resterende) re-integratieverplichtingen.

4.3. De Raad is, gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2, van oordeel dat het resultaat dat appellante in deze procedure nastreeft, ook indien dat tot het gevolg zou hebben dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid wordt gesteld op 80% of meer, geen feitelijke betekenis voor haar kan hebben. Dit brengt met zich mee dat het hoger beroep van appellante vanwege het komen te ontvallen van het procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) J.R. Baas.