Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BV2690
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BV2690
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/1459 WIA
Datum uitspraak: 27-01-2012
Wetsartikelen: artt. 13 Wet WIA / 33 WW
Essentie: Vaststelling dagloon WIA-uitkering. De buiten het refertejaar aan appellante betaalde WW-uitkering kan niet bij de berekening van het dagloon worden betrokken. De tekst en de systematiek van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, noch de NvT bij het besluit bieden hiervoor concrete aanknopingspunten.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/1459 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 januari 2011, 09/2701 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 januari 2012.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellante is verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. C. Roele.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat er voor haar recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het dagloon waarop de hoogte van deze uitkering is gebaseerd is daarbij na indexering vastgesteld op € 93,29. Het Uwv heeft de periode 1 mei 2006 tot 1 mei 2007 als refertejaar aangemerkt.

1.2. Appellante heeft tegen de berekening van het dagloon bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat niet alle inkomsten die zij heeft genoten op correcte wijze bij de berekening zijn betrokken.

1.3. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 21 september 2009 gegrond verklaard en het besluit van 16 juni 2009 herroepen voor zover het de hoogte van het dagloon betreft. Het Uwv heeft het dagloon na indexering vastgesteld op € 132,59.

1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 21 september 2009 beroep ingesteld. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat een gedeelte van de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) die aan haar is uitbetaald in de maand mei 2007 bij de berekening moet worden betrokken, omdat deze uitkering voor een deel betrekking heeft op een periode die binnen het vastgestelde refertejaar ligt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de in mei 2007 uitbetaalde WW-uitkering terecht niet heeft betrokken bij de berekening van het dagloon. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit), geoordeeld dat de WW-uitkering van appellante weliswaar vorderbaar was in de maand april 2007, maar dat deze in die maand niet inbaar was, zodat deze uitkering niet bij het de berekening van het dagloon kan worden betrokken.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar bij de rechtbank naar voren gebrachte beroepsgrond herhaald. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkering over de maand april 2007 praktisch niet eerder dan in de maand mei 2007 kon worden gevorderd en geïnd, maar deze wel op de maand april 2007 betrekking had.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid is ingetreden.

4.2. Bij het Besluit zijn op basis van artikel 13, derde lid, van de Wet WIA nadere regels gesteld ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid.

4.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit wordt voor de toepassing van dit besluit de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon aangifte heeft gedaan. Onder loon wordt ingevolge het tweede lid van dat artikel mede een WW-uitkering begrepen. Deze uitkering wordt ingevolge artikel 33 van de WW in de regel per vier kalenderweken of per maand achteraf uitbetaald. De aangifte vindt dienovereenkomstig plaats.

4.4. Niet in geschil is dat het refertejaar in dit geval loopt van 1 mei 2006 tot en met 30 april 2007. Voorts staat tussen partijen de hoogte van het door appellante ontvangen bedrag aan loon in het refertejaar vast. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het na het refertejaar aan appellante uitbetaalde bedrag aan WW-uitkering dat betrekking heeft op de maand april 2007 nog aan dit refertejaar kan worden toegerekend.

4.5. Uit artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit volgt dat het WIA-dagloon moet worden gebaseerd op daadwerkelijk ontvangen loon en WW-uitkering in de referteperiode. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 22 april 2011, LJN BQ2322, was de wetgever zich bij de totstandkoming van het Besluit ervan bewust dat het uitgangspunt van het Besluit, dat alleen daadwerkelijk ontvangen inkomsten meetellen, nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor bepaalde betrokkenen. De wetgever heeft desondanks niet voorzien in de mogelijkheid om van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit neergelegde hoofdregel af te wijken, behoudens de in het vierde lid van dit artikel neergelegde afwijking. Het vierde lid van artikel 2 van het Besluit voorziet in de mogelijkheid bedragen die vorderbaar en tevens niet-inbaar zijn toch mee te tellen voor de berekening van het dagloon. Uit de Nota van Toelichting bij het Besluit kan worden afgeleid dat de wetgever daarbij situaties voor ogen heeft gehad waarin een betaling normaliter binnen het refertejaar zou hebben moeten plaatsvinden, maar dat die betaling als gevolg van bijzondere omstandigheden achterwege is gebleven.

4.6. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 26 augustus 2011, LJN BR5888, bieden voor WW-gerechtigden, die te maken hebben met een betaling achteraf, noch de tekst en de systematiek van het Besluit (inclusief de daarop in 2008 en 2009 aangebrachte wijzigingen), noch de Nota van Toelichting bij het Besluit de Raad concrete aanknopingspunten om een reguliere uitbetaling van WW-uitkering die, na correcte toepassing van artikel 33, eerste lid, van de WW, is gedaan na afloop van het refertejaar te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de slotzin van 4.5 is dan geen sprake, zodat voor toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit geen aanleiding bestaat.

4.7. De Raad wijst er overigens op dat, zoals ook ter zitting bij de Raad door het Uwv is verklaard, de door appellante beoogde toepassing van het vierde lid van artikel 2 van het Besluit niet tot een ander resultaat zou hebben geleid, omdat, gelet op de in artikel 33 van de WW neergelegde betaalsystematiek, niet was voldaan aan de voorwaarde dat de WW-uitkering reeds in de referteperiode vorderbaar was.

4.8. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 betekent dat de in mei 2008 aan appellante betaalde WW-uitkering niet bij de berekening van het dagloon kan worden betrokken. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en T.L. de Vries en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. van Eijndthoven.