Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BY1408
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BY1408
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/1336 WIA
Datum uitspraak: 26-10-2012
Wetsartikelen: artt. 5, 6 en 54 Wet WIA / 7:11 Awb
Essentie: Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Dat eerst in de bezwaarprocedure is vastgesteld dat de FML niet conform de instructies was ingevuld en dit heeft geleid tot een wijziging van de FML op het item werken in de avond, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een verboden reformatio in peius. De gewijzigde medische grondslag heeft er immers niet toe geleid dat de schattingsuitkomst is gewijzigd. De WGA-uitkering is dan ook niet aangepast. Er is geen twijfel over de juistheid van de beperkingen neergelegd in de FML. De in de geduide functies voorkomende belasting overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet en appellant moet in staat worden geacht deze functies te vervullen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/1336 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 december 2010, 10/1962 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2012.




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. L. Grosveld, werkzaam bij CNV Publieke Zaak, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsvonden op 14 september 2012. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.




OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als hoofd automatisering, is nadat hij in oktober 2005 op non-actief is gesteld door zijn werkgever, op 23 juli 2007 uitgevallen wegens psychische klachten en hoge bloeddruk. De verzekeringsarts heeft na dossierstudie, waaronder gegevens van psycholoog M. Lijdsman en psychiater P.J. Verhagen, en onderzoek van appellant de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 oktober 2009 opgesteld. In verband met appellants psychische klachten zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. In verband met de hoge bloeddruk van appellant zijn beperkingen opgenomen in de rubriek aanpassing aan de fysieke omgevingseisen. In verband met appellants beperkte energie zijn tevens beperkingen opgenomen ten aanzien van werktijden. De arbeidsdeskundige heeft een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee appellant een verlies aan verdiencapaciteit van 61,74% heeft.

1.2. Bij besluit van 18 november 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 20 juli 2009 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen recht heeft op een loongerelateerde uitkering ingevolge de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

1.3. Nadat appellant bezwaar had gemaakt, heeft de bezwaarverzekeringsarts het dossier bestudeerd en appellant, in aansluiting op de hoorzitting, nader onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen vinden in de visie van de primaire verzekeringarts. Beiden zijn van mening dat sprake is van een aanpassingsstoornis met angst. De door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen acht de bezwaarverzekeringsarts adequaat. Met de verzekeringsarts is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat geen sprake is van een situatie van ‘geen duurzame benutbare mogelijkheden’. Daarbij acht hij van belang dat appellant niet lijdende is aan een ernstige psychiatrische stoornis, er sprake is van een redelijke daginvulling zonder rust- en herstelbehoefte, appellant niet ADL-afhankelijk of bedlegerig is en niet is opgenomen in een AWBZ-inrichting. Wel dient wegens de wijziging van de invulinstructies een kleine bijstelling plaats te vinden ten aanzien van werken in de avond. Naar aanleiding daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML op 16 maart 2010 bijgesteld, aldus dat de beperking ten aanzien van werken in de avonduren naar beneden is bijgesteld. De schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid is vervolgens door de bezwaararbeidsdeskundige gebaseerd op de eerder aan appellant voorgehouden functies van sorteerder/controleur, samensteller metaalwaren en schilder/spuiter en het verlies aan verdiencapaciteit is ongewijzigd 61,74% gebleven.

1.4. Bij besluit van 11 mei 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspaak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. In hoger beroep heeft appellant wederom gesteld dat hij aanzienlijke psychische gezondheidsproblemen heeft en hij daardoor blijvend niet in staat is om arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant verwezen naar de in beroep ingebrachte verklaring van psychiater Verhagen. Voorts heeft appellant gesteld dat hij door aanpassing van de FML in de bezwaarprocedure in een slechtere positie is komen te verkeren en zulks in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tot slot heeft appellant de Raad verzocht over te gaan tot het vergoeden van schade indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat appellant door de (bezwaar)verzekeringsarts is onderzocht en dat de informatie van psychiater Verhagen bij de beoordeling is betrokken. De bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts hebben er toe geleid dat er in verband met de psychische klachten van appellant beperkingen zijn aangenomen welke er voor dienen te zorgen dat het (passende) werk geen te hoge cognitieve eisen aan appellant stelt en geen stress oplevert. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd aangegeven waarom er geen sprake is van een situatie van ‘geen duurzame benutbare mogelijkheden’. De rechtbank heeft de door de bezwaarverzekeringsarts ter zake gegeven motivering terecht overtuigend geacht. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is tot twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts ten aanzien van de beperkingen van appellant zoals neergelegd in de FML van 16 maart 2010.

4.2. Dat eerst in de bezwaarprocedure is vastgesteld dat de FML niet conform de instructies was ingevuld en dit heeft geleid tot een wijziging van de FML op het item werken in de avond - van kan niet werken tussen 18:00 uur en 24:00 uur naar kan niet na 21:00 uur werken - leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een verboden "reformatio in peius". De gewijzigde medische grondslag heeft er immers niet toe geleid dat de schattingsuitkomst is gewijzigd. De WGA-uitkering is dan ook niet aangepast.

4.3. De stelling van appellant dat de in beroep ingebrachte verklaring van psychiater Verhagen, waarin deze - kort gezegd - heeft gesteld dat door appellants kwetsbaarheid de confrontatie met de (voormalige) werksituatie een risico voor gezondheidschade met zich brengt, de rechtbank tot het oordeel had moeten leiden dat hij blijvend geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft om arbeid te verrichten, kan de Raad niet volgen. De Raad kan zich, evenals de rechtbank, vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 23 november 2010, waarin gemotiveerd is aangegeven waarom de bevindingen van de psychiater geen aanleiding geven om zijn eerder ingenomen standpunt te herzien. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij terecht van belang geacht dat de psychiater geen nieuwe feiten of een andere analyse vanuit zijn positie en relatie naar voren heeft gebracht en er met appellants persoonskenmerken in voldoende mate rekening is gehouden door hem blijvend belastbaar te achten met structurele beperkingen. Appellant heeft in hoger beroep geen (medische) gegevens ingebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.

4.4. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 16 maart 2010 en gezien de toelichtingen op de signaleringen zoals vermeld in de rapporten van de arbeidsdeskundigen van 12 november 2009 en 10 mei 2010 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de in de geduide functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.

4.5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een proceskostenveroordeling en toekenning van schadevergoeding als gevraagd, bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas