Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BY4046
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2012:BY4046
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 11/2928 WIA en 12/6132 WIA-T
Datum uitspraak: 16-11-2012
Wetsartikelen: artt. 25 en 65 Wet WIA / 6:18, 6:19, 6:24, 7:12 en 8:73 Awb / 21 Bw
Essentie: Tussenuitspraak. Verzoek om vergoeding van de geleden schade als gevolg van de opgelegde plicht tot loondoorbetaling in de hoedanigheid van houder van een PGB. Aangezien het UWV zich nog niet heeft uitgelaten over het gehele verzoek om schade, draagt de Raad het UWV op het gebrek te herstellen. Het UWV dient te beoordelen of het bedrag aan vergoeding van wettelijke rente te laag is en of er aanleiding is om overige schade te vergoeden. Alvorens tot herstel over te gaan, dient het UWV appellante in de gelegenheid te stellen haar vordering tot schadevergoeding nader te onderbouwen. Appellante dient hiervoor een termijn te worden geboden van minimaal vier weken.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/2928 WIA en 12/6132 WIA-T




T U S S E N U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 april 2011, 10/1555 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 16 november 2012.




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft haar wettelijk vertegenwoordiger, [H.] te [plaatsnaam], hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op schriftelijke vragen van de Raad heeft het Uwv schriftelijk geantwoord. Het Uwv heeft voorts een besluit tot vergoeding van wettelijke rente gedateerd 12 juni 2012 genomen.

Namens appellante is schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 5 oktober 2012. Namens appellante is bericht van verhindering, alsmede een nader stuk ontvangen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.




OVERWEGINGEN


1. Bij beslissing op bezwaar van 7 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 2 februari 2010 ingetrokken. Bij dit besluit was aan appellante in haar hoedanigheid van houder van een persoonsgebonden budget een zogenoemde loonsanctie opgelegd, eruit bestaande dat zij het loon moest doorbetalen tijdens de ziekte van haar hulpverlener vanwege het onvoldoende bevorderen van diens re-integratie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellante geen procesbelang heeft omdat het bestreden besluit geen beslissing bevat omtrent schadevergoeding en dit besluit een dergelijke beslissing niet behoeft te bevatten omdat appellante niet om schadevergoeding heeft gevraagd.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel om schade heeft verzocht en dat het Uwv deels aan haar is tegemoetgekomen. Zij heeft gesteld dat zij over het ten onrechte door haar aan de hulpverlener doorbetaalde loon van € 11.612,97 bij besluit van 12 juni 2012 de wettelijke rente van € 244,30 vergoed heeft gekregen, maar dat deze vergoeding ontoereikend is. Voorts zijn hiermee niet alle kosten vergoed, voortvloeiend uit administratieve handelingen die nodig waren om de loonsanctie ongedaan te maken en - in verband daarmee - het moeten inschakelen van extra hulpverlening. Deze kosten worden door appellante gesteld op € 100,- per dag gedurende de periode 8 maart 2010 tot 7 juni 2010.

3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2010 heeft appellante, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, verzocht om vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van de aan haar opgelegde plicht tot loondoorbetaling. Het verzoek is opgenomen in een door appellante ingediende klacht die door het Uwv als bezwaarschrift is aangemaakt. Het besluit van 2 februari 2010 is vervolgens ingetrokken bij het bestreden besluit. Het Uwv had bij het bestreden besluit tevens moeten beslissen op het verzoek om schadevergoeding. De Raad zal daarom bij zijn einduitspraak de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover daarin geen beslissing over het al dan niet vergoeden van de gestelde schade is opgenomen.

4.2. Nu met het besluit van 12 juni 2012 tot vergoeden van wettelijke rente niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen, wordt appellante geacht daartegen op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet beroep te hebben ingesteld (geding met nummer 12/6132 WIA).

4.3. In geschil is nog de totale hoogte van de door het Uwv toegekende schadevergoeding. Aangezien het Uwv zich nog niet heeft uitgelaten over het gehele verzoek om schade, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het vorenbedoelde gebrek in het besluit van 12 juni 2012 te herstellen. Het Uwv dient te beoordelen of het bedrag aan vergoeding van wettelijke rente genoemd in het besluit van 12 juni 2012 te laag is en of er aanleiding is om overige schade te vergoeden. Alvorens tot herstel over te gaan dient het Uwv appellante in de gelegenheid te stellen haar vordering tot schadevergoeding nader te onderbouwen. Appellante dient hiervoor een termijn te worden geboden van minimaal vier weken.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 12 juni 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen in de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 is vermeld.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2012.

(getekend) J. Brand

(getekend) I.J. Penning