Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BZ3672
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3672
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/4473 WIA
Datum uitspraak: 08-03-2013
Wetsartikelen: artt. 67 en 68 Wet WIA
Essentie: Beslaglegging op de WIA-uitkering. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de opvatting van appellant zich niet verdraagt met het in vaste rechtspraak van de Raad neergelegde oordeel dat een bestuursorgaan gehouden is zijn volledige medewerking te verlenen aan een gelegd derdenbeslag. Anders dan appellant in hoger beroep met nadruk heeft staande gehouden, stond het daarom het UWV niet vrij de omvang en de juistheid van het beslag te beoordelen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/4473 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 7 juli 2011, 10/5374 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Soebhag. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.




OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat deurwaarder M.G. de Jong beslag heeft gelegd op zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en dat ter uitvoering van dat beslag een gedeelte van appellants uitkering zal worden ingehouden en afgedragen aan de deurwaarder. Met ingang van 1 augustus 2010 zal appellant in verband hiermee nog een bedrag van € 748,94 per maand ontvangen. Ook het vakantiegeld zal worden ingehouden.

1.2. Bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 20 juli 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat het Uwv onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld, door zonder meer zijn medewerking te verlenen aan het derdenbeslag. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij niet wist wat de grondslag voor de beslaglegging was. Hij was niet bekend met de vonnissen waarop het beslag
gebaseerd was. Het Uwv had die grondslagen en geldigheid van het beslag dienen te
controleren en had appellant ter zake moeten informeren.

3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 21 december 2010, LJN BO9009), heeft de rechtbank overwogen dat een beslagdebiteur (in dit geval appellant) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan voorleggen aan de civiele rechter en is de derdebeslagene (in dit geval het Uwv) gehouden volledige medewerking te verlenen aan het beslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen.

3.2. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen. Zijn
toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Gesteld noch gebleken is volgens de rechtbank dat het Uwv niet binnen genoemd kader is gebleven.

3.3. Nog daargelaten dat het naar het oordeel van de rechtbank in de rede zou liggen dat
appellant zich tot de deurwaarder zou hebben gewend voor informatie omtrent de
beslaglegging en de achtergrond daarvan, volgt uit het overwogene dat noch de
overeenstemming tussen de vonnissen (van de civiele rechter) noch een eventuele verjaring ter beoordeling van het Uwv stond.

4. In hoger beroep heeft appellant, samengevat weergegeven, zijn opvatting gehandhaafd dat het Uwv niet zonder onderzoek naar de grondslagen en de geldigheid van het beslag zijn
medewerking daaraan had mogen verlenen.

5. De Raad verenigt zich volledig met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de
opvatting van appellant zich niet verdraagt met het in vaste rechtspraak van de Raad
neergelegde oordeel dat een bestuursorgaan gehouden is zijn volledige medewerking te
verlenen aan een gelegd derdenbeslag. Anders dan appellant in hoger beroep met nadruk heeft staande gehouden, stond het daarom het Uwv niet vrij de omvang en de juistheid van het
beslag te beoordelen. Nu appellant in hoger beroep weliswaar heeft gesteld, maar niet aan de hand van enig concreet gegeven aannemelijk heeft gemaakt, dat het Uwv niet binnen het
kader van het gelegde beslag is gebleven, moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker