Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN CA0052
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:CA0052
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/7562 WIA
Datum uitspraak: 08-05-2013
Wetsartikelen: art. 13 Wet WIA
Essentie: Vaststelling dagloon IVA-uitkering. De rechtbank heeft terecht verwezen naar artikel 13 van de Wet WIA en artikel 2 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen en terecht geoordeeld dat het loon waarop appellant volgens de CAO recht had gedurende de referteperiode vorderbaar was. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat dit loon tijdens de referteperiode niet inbaar was.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/7562 WIA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 december 2011, 11/2062 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak 8 mei 2013.




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J. van Delft, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Delft en het Uwv door mr. W.J. Belder.




OVERWEGINGEN


1.1. Appellant heeft gewerkt als slager. In verband met visusklachten is hij arbeidsongeschikt geworden. Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het Uwv hem een WGA-uitkering toegekend. Daarbij is het dagloon vastgesteld op € 63,56.

1.2. Bij besluit van 21 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 2010 gegrond verklaard, bepaald dat appellant recht heeft op een
IVA-uitkering en het dagloon, na indexering, vastgesteld op € 66,34.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de hoogte van het in het bestreden besluit vastgestelde dagloon ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de referteperiode loopt van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2008. De nabetaling door de werkgever op grond van de vaststellingsovereenkomst van september 2010 kan niet worden toegerekend aan de referteperiode. De nabetaling, voor zover deze betrekking had op de referteperiode, was wel vorderbaar, maar appellant heeft niet aangetoond dat die nabetaling in de referteperiode niet inbaar was. Daarmee is niet voldaan aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit).

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onredelijk is van hem te verlangen dat hij aantoont dat hij zijn werkgever voor het einde van de referteperiode heeft aangesproken op betaling van het hogere CAO-loon. Hij heeft dit herhaaldelijk mondeling gedaan. Toen hij er schriftelijk om vroeg volgde een afwijzende reactie. Als hij het hogere loon schriftelijk zou hebben gevorderd voor afloop van de referteperiode zou de werkgever ook afwijzend gereageerd hebben.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De rechtbank heeft terecht verwezen naar artikel 13 van de Wet WIA en artikel 2 van het Besluit en terecht geoordeeld dat het loon waarop appellant volgens de CAO recht had gedurende de referteperiode vorderbaar was. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat dit loon tijdens de referteperiode niet inbaar was. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij zijn werkgever mondeling om betaling van het hogere CAO-loon heeft gevraagd, maar dit niet aannemelijk gemaakt bijvoorbeeld door overlegging van een verklaring van zijn werkgever of verklaringen van collega’s.

4.3. De stelling van appellant dat het onredelijk is van hem te verlangen dat hij dit aantoont, slaagt niet. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2012 (LJN BV9859) overweegt de Raad dat toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit slechts aangewezen is in gevallen waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot uitbetaling overgaat. Zoals is overwogen in overweging 4.2.6 van die uitspraak dient appellant aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) D.E.P.M. Bary