Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:797
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/6899 WWB
Datum uitspraak: 02-07-2013
Wetsartikelen: artt. 17, 34, 54 en 58 Wwb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een en/of-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is niet in deze bewijslast geslaagd.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/6899 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2011, 11/3988 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. S. Mac Donald, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. Stokx zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stokx. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 november 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau, waaruit bleek dat appellante over een meer dan bescheiden vermogen beschikte, heeft de sociale recherche van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellante een drietal "en/of"-rekeningen heeft, ten name van haar en haar zoon S. [K.] (hierna [K.]), die zij niet aan het college heeft opgegeven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 10 maart 2011.

1.3. In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 1 april 2011 de bijstand van appellante over de periode van 15 november 2004 tot en met 8 april 2010 in te trekken en - met inachtneming van het van toepassing zijnde beleid omtrent vermogen - de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.194,-- (bruto) van haar terug te vorderen.

1.4. Bij besluit van 19 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat het geld op de "en/of"-rekeningen niet aan haar maar aan haar zoon die in Israël verblijft toebehoort. Zij kan niet beschikken over de gelden op deze rekeningen en heeft deze rekeningen nooit gebruikt voor transacties ten behoeve van haarzelf. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat zij nauwelijks genoeg middelen heeft om haar vaste lasten te voldoen en dat de terugvordering tot grote financiële problemen leidt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vast staat dat appellante in de te beoordelen periode een "en/of"-rekening had bij de ABN AMRO met rekening nummer [nummer] waarvan het saldo per 31 december 2009 € 20.733,-- bedraagt. Op grond van de gedingstukken, zoals ook ter zitting door het college is erkend, is uitsluitend in geschil of appellante met het tegoed op deze rekening in de te beoordelen periode beschikte over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens.

4.2. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten "en/of"-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is niet in deze bewijslast geslaagd. Anders dan appellante heeft betoogd, is niet van belang om welke reden gekozen is voor de meervoudige tenaamstelling van de rekening. Evenmin is van belang dat zij in de te beoordelen periode geen transacties heeft verricht ten behoeve van haarzelf op deze rekening. Van belang is dat van enige beperking van de beschikkingsmacht van appellante niet is gebleken. Dit betekent dat appellante in de te beoordelen periode beschikte dan wel kon beschikken over een vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen en op grond daarvan over deze periode geen recht op bijstand had. Het college hanteert het beleid dat bij de bepaling van de hoogte van de terugvordering uitgegaan wordt van het hoogste vermogen tijdens de periode waarop de intrekking ziet minus het voor appellante geldende vrij te laten vermogen. Het dan resterende bedrag wordt gebruteerd. In het geval van appellante heeft dit geresulteerd in het onder 1.3 genoemde terugvorderingsbedrag.

4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan het college tot een verdere matiging van de terugvordering had moeten overgaan. Daarbij is van belang dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig moet geschieden dat de betrokkene blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) T.A. Meijering