Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:1292
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/6473 WWB
Datum uitspraak: 06-08-2013
Wetsartikelen: artt. 31, 32, 54 en 58 Wwb
Essentie: Herziening bijstandsuitkering door met terugwerkende kracht de hogere inkomsten uit partneralimentatie op de bijstand in mindering te brengen. Alimentatiebetalingen worden naar hun aard als inkomsten in de zin van artikel 32 van de Wwb aangemerkt. Niet gebleken is dat appellante pogingen heeft ondernomen om deze aanspraak te gelde te maken; deze keuze dient voor rekening van appellante te blijven. Het vorenstaande leidt ertoe dat appellante over deze middelen beschikte of daarover redelijkerwijs kon beschikken in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wwb.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 11/6473 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 september 2011, 11/422 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. D. Osmic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2013. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.A. Franssen.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 juli 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 april 2009 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de door de ex-echtgenoot van appellante ten behoeve van appellante te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud nader wordt vastgesteld op € 416,98 per maand voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en € 433,24 met ingang van 1 januari 2009.

1.3. Bij besluit van 30 juli 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2008 herzien door met terugwerkende kracht de hogere inkomsten uit partneralimentatie vanaf 1 juli 2008 op de bijstand in mindering te brengen.

1.4. Bij besluit van 31 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het in 1.3 genoemde besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij nadrukkelijk verwezen naar de reeds ingediende bezwaar- en beroepsgronden, die als ingelast en herhaald moeten worden beschouwd. Kortgezegd komen de gronden er op neer dat appellante niet kon beschikken over de hogere partneralimentatie, omdat een vordering op haar ex-echtgenoot ter zake niet haarbaar is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In artikel 32, eerste lid, van de WWB is bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Alimentatiebetalingen worden naar hun aard als inkomsten in de zin van artikel 32 van de WWB aangemerkt.

4.2. Vaststaat dat appellante ten tijde in geding aanspraak heeft op inkomsten uit partneralimentatie. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat appellante pogingen heeft ondernomen om deze aanspraak te gelde te maken en dat deze keuze voor rekening van appellante dient te blijven. Het vorenstaande leidt ertoe dat appellante over deze middelen beschikte of daarover redelijkerwijs kon beschikken in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB.

4.3. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) B. Rikhof