Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:23
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 12/3894 WWB en 12/3895 WWB
Datum uitspraak: 14-01-2014
Wetsartikelen: artt. 11, 17, 32, 40, 54 en 58 Wwb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant en betrokkene de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet aan het college te melden dat zij niet op het uitkeringsadres, maar in een andere gemeente woonachtig zijn en omdat appellant werkzaamheden heeft verricht waarmee hij redelijkerwijs inkomen heeft kunnen verwerven. Als gevolg van die schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant heeft werkzaamheden verricht die de vrienden- en familiedienst te boven gingen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/3894 WWB en 12/3895 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 juni 2012, 12/95 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant), en de erven van [betrokkene], gewoond hebbend te [woonplaats] (erven),

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant en [Betrokkene] (betrokkene) heeft mr. J. Kluivers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Kluivers heeft de Raad meegedeeld dat betrokkene is overleden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kluivers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker-Koenders. Appellant heeft ter zitting verklaard dat betrokkene ongeveer zeven maanden geleden is overleden. Mr. Kluivers heeft desgevraagd verklaard ook voor de erven op te treden.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en betrokkene ontvingen sedert 1996 van het college bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij waren ten tijde hier van belang bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres) en hadden daar een woonwagen.

1.2. Begin juni 2011 heeft de Regiopolitie Brabant-Noord (politie) contact gezocht met de sociale recherche van het college met de mededeling dat appellant en betrokkene al geruime tijd woonachtig zijn op een woonwagenkamp in ’s-Hertogenbosch. Op 8 juni 2011 heeft de politie appellant op grond van een verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie aangehouden en tweemaal verhoord. De politie heeft appellant op 22 juni 2011 opnieuw verhoord op grond van een verdenking van een bedreiging met de dood. Naar aanleiding daarvan heeft het college appellant en betrokkene uitgenodigd om zich op 29 juni 2011 bij het college te melden.

1.3. Bij besluit van 30 juni 2011 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 30 juni 2011 opgeschort, omdat appellant en betrokkene geen gevolg hebben gegeven aan de uitnodiging om zich op 29 juni 2011 bij het college te melden.

1.4. Bij besluit van 21 juli 2011 heeft het college de bijstand met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 mei 2011 tot een bedrag van € 24.710,11 van hen teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en betrokkene de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet aan het college te melden dat zij niet op het uitkeringsadres, maar in ’s-Hertogenbosch woonachtig zijn en dat appellant werkzaamheden heeft verricht waarmee hij redelijkerwijs inkomen heeft kunnen verwerven. Als gevolg van die schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.5. Bij besluit van 25 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 30 juni 2011 en 21 juli 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant en betrokkene de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet aan het college te melden dat zij niet meer woonachtig waren in Purmerend en dat appellant werkzaamheden heeft verricht die de vrienden- en familiedienst te boven gingen.

3. Appellant en de erven hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De intrekking

4.1. Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 juli 2011.

4.2. Gelet op de toelichting van het college ter zitting, begrijpt de Raad het bestreden besluit aldus dat het college aan de handhaving van de intrekking van de bijstand primair ten grondslag heeft gelegd dat appellant en betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode buiten Purmerend woonachtig waren en daarom op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB geen recht op bijstand hadden jegens het college. Omdat appellant en betrokkene daarvan geen melding hebben gemaakt aan het college hebben zij de inlichtingenverplichting geschonden en als gevolg van die schending is aan hen ten onrechte bijstand verleend. Aan de handhaving van de intrekking heeft het college subsidiair ten grondslag gelegd dat appellant en betrokkene de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet aan het college te melden dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.

4.3. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4. Het college heeft zijn standpunt dat appellant en betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode buiten Purmerend woonachtig waren gebaseerd op de verklaringen die appellant op 8 en 22 juni 2011 tegenover de politie heeft afgelegd, de aangifte van P. [P.] (P) van 17 juni 2011, de door appellant en betrokkene in bezwaar overgelegde verklaring van hun huisarts van 22 juli 2011 en het gegeven dat uit een afschrift van de betaalrekening van appellant en betrokkene blijkt dat de enige betaling die is geschied in de periode van 16 juni 2011 tot en met 13 juli 2011 te Oss heeft plaatsgevonden.

4.5. De verklaringen van appellant van 8 en 22 juni 2011 en de aangifte van P hebben voor het antwoord op de vraag of appellant en betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode buiten Purmerend woonden niet de betekenis die het college daaraan toekent. De verklaringen van appellant zijn vaag, niet consistent en voor meerdere uitleg vatbaar. Zo heeft appellant op 8 juni 2011 op de vraag hoe lang hij al in ’s-Hertogenbosch verblijft geantwoord dat hij komt en gaat, dat hij soms in Best, Landgraaf, Sittard of Schaijk staat, maar ook in Purmerend of in Amsterdam, dat hij in totaal ongeveer 1,5 jaar in ’s-Hertogenbosch komt en hij steeds op en neer is gegaan. Op 22 juni 2011 heeft appellant verklaard dat hij in Purmerend woont en dat hij denkt dat hij nu zo’n negentien maanden op het woonwagencentrum aan de [straatnaam] te ’s-Hertogenbosch staat. Niet uitgesloten is dat appellant heeft bedoeld te zeggen dat de camper, waarin hij verblijft als hij in ’s-Hertogenbosch is, al negentien maanden op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] staat en niet dat hij zelf negentien maanden in ’s-Hertogenbosch verblijft. De uit de aangifte van 17 juni 2011 blijkende verklaring van P is vaag. P verklaart dat hij vanaf januari 2011 op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] te ’s-Hertogenbosch woont, dat de camper van appellant daar al twee jaar illegaal staat en dat hij weet dat appellant en betrokkene in de camper verblijven. P noemt geen concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan hij tot zijn wetenschap komt dat appellant en betrokkene in de camper verblijven en verklaart ook niet vanaf wanneer dat het geval zou zijn. Van de zijde van appellant en de erven is ter zitting voorts naar voren gebracht dat de verklaring van de huisarts van 22 juli 2011 over de verblijfplaats van appellant en betrokkene niet op eigen waarneming van de huisarts is gebaseerd en daarom niet van belang is voor het antwoord op de vraag of appellant en betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode buiten Purmerend woonachtig waren. Dit standpunt is door het college niet betwist. Gelet op het voorgaande heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant en betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode buiten Purmerend woonachtig waren. In dat verband is voorts van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat uit de door appellanten in eerste aanleg overgelegde gegevens blijkt van een meer dan gemiddeld verbruik van water en energie op het uitkeringsadres. Het college heeft de handhaving van de intrekking van de bijstand dan ook ten onrechte gebaseerd op de daaraan primair ten grondslag gelegde grond. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

4.6. Er bestaat wel voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Van belang zijn met name de verklaringen die appellant op 8 en 22 juni 2011 tegenover de politie heeft afgelegd. Appellant heeft op 8 juni 2011 op de vraag welke werkzaamheden hij verricht geantwoord dat hij voor zijn kinderen en kleinkinderen in de meubelstoffeerderij werkt, dat dit onbetaald werk is en dat hij soms de benzine vergoed krijgt als hij voor dat werk ver moet rijden. Op de vraag hoe lang hij deze werkzaamheden verricht, heeft appellant geantwoord dat hij dat al ongeveer tien tot vijftien jaren doet. Op 22 juni 2011 heeft appellant op de vraag waar hij de kost mee verdient geantwoord dat hij zijn kinderen en kleinkinderen wel eens helpt met stofferen en dat hij verder een uitkering geniet. In deze verklaringen komt verder naar voren dat appellant in opdracht van zijn zoon en kleinzoon spullen heeft afgeleverd en betalingen in ontvangst heeft genomen. Van betekenis is voorts dat P blijkens de aangifte van 17 juni 2011 heeft verklaard dat hij, nadat hij op 1 januari 2011 op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] te ’s-Hertogenbosch is komen wonen, met appellant samen meubelstoffeerderij [stoffeerderij] is begonnen. Voorts heeft P verklaard dat hij met de meubelstoffeerderij is gestopt en zich bij de Kamer van koophandel heeft laten uitschrijven en dat P nog steeds de winkel draait en oude meubels opknapt. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister blijkt dat meubelstoffeerderij [stoffeerderij] op 1 april 2011 is gestart en per 18 mei 2011 is uitgeschreven uit het handelsregister. Appellant heeft hierover op 22 juni 2011 verklaard dat hij P heeft geholpen met het opzetten van een stoffeerderij, dat in de door P geopende winkel zijn werktafels en gereedschappen stonden, dat hij de huur van het winkeltje betaalde en daarvoor geld kreeg van P, dat hij P hielp het vak van stoffeerder onder de knie te krijgen en dat hij P voortdurend heeft geholpen en geadviseerd. Op zitting heeft appellant verder verklaard dat hij ook wel eens een uur of een paar uur in de winkel van P heeft gestaan.

4.7. Appellant en de erven hebben aangevoerd dat de hiervoor weergegeven verklaringen van appellant over zijn werkzaamheden niet juist kunnen zijn. Zij hebben in dit verband gewezen op de verklaring die de kleinzoon van appellant en betrokkene, P. [S.], op de hoorzitting van 7 november 2011 heeft afgelegd. Blijkens het verslag van die hoorzitting heeft de kleinzoon toen verklaard dat appellant advies geeft bij de wat moeilijkere klussen en dat, als er spullen weggebracht en gehaald moeten worden, hij meegaat om te tillen omdat appellant dit niet zelf kan. Voorts hebben appellant en de erven gewezen op van de huisarts van appellant afkomstige informatie over de slechte gezondheidstoestand van appellant. Volgens hen blijkt uit die informatie dat appellant niet in staat is arbeid te verrichten. Deze beroepsgrond treft geen doel. De verklaring van de kleinzoon op de hoorzitting heeft niet de betekenis die appellant en de erven daaraan toekennen, reeds omdat niet is uitgesloten dat ook de door appellant volgens de kleinzoon verrichte advieswerkzaamheden moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. Of sprake is van op geld waardeerbare activiteiten hangt onder meer af van de vraag hoe vaak appellant de kleinzoon heeft geadviseerd en daarover heeft de kleinzoon niet verklaard. Voorts blijkt uit de verklaring van de huisarts van 28 oktober 2011 weliswaar dat appellanten ten tijde hier van belang diverse aandoeningen had, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat appellant als gevolg daarvan niet de werkzaamheden kon verrichten die hij heeft verklaard te hebben verricht.

4.8. Appellant en betrokkene hebben van de door appellant gedurende de hier te beoordelen periode verrichte en op geld waardeerbare activiteiten geen melding gemaakt bij het college. De Raad laat in het midden of betrokkene, gelet op haar medische situatie, daartoe in staat is geweest. Appellant en de erven hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant daartoe niet in staat was. De stelling dat appellant analfabeet is, is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat in elk geval appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.9. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant en de erven zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat appellant en betrokkene, indien appellant destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, gedurende de hier te beoordelen periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Dat betekent dat het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand met ingang van 1 januari 2010 in te trekken. Appellant en de erven hebben de wijze waarop het college van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Dit betekent dat het college bij het bestreden besluit terecht de intrekking op de subsidiaire grond heeft gehandhaafd.



De terugvordering

4.10. Tegen de terugvordering hebben appellant en de erven geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.



De opschorting

4.11. Van de zijde van appellant en de erven is ter zitting verklaard dat alleen indien de Raad oordeelt dat het bestreden besluit, voor zover dat op de intrekking ziet, niet in stand kan blijven de handhaving van de opschorting van het recht op bijstand wordt betwist. In aanmerking genomen wat hiervoor onder 4.6 tot en met 4.9 is overwogen, behoeft de opschorting dan ook geen verdere bespreking.



Conclusie

4.12. De Raad komt tot slotsom dat het hoger beroep van appellant en de erven niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom, gelet op wat onder 4.5 is overwogen, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A.C. Oomkens