Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:801
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 12/6450 WWB en 13/911 WWB
Datum uitspraak: 11-03-2014
Wetsartikelen: artt. 17, 31, 32, 47a, 54 en 58 Wwb / 6:18, 6:19, 6:24 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) wegens inkomsten uit diverse bronnen. Appellante heeft haar stelling dat zij leningen is aangegaan niet afdoende met stukken onderbouwd. De SVB wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen één van de bestreden besluiten. Dit nieuwe besluit vergt van de SVB slechts een rekenkundige uitwerking die naar verwachting tussen partijen niet tot een geschil leidt. Daarom is een bestuurlijke lus niet aangewezen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/6450 WWB en 13/911 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 oktober 2012, 12/5581 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. Biemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de Svb op 12 december 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen en dit besluit aan de Raad toegezonden.

De rechtbank heeft het bij haar door appellante ingestelde beroep tegen het nader besluit aan de Raad doorgestuurd.

De Svb heeft een nader stuk aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2014. Voor appellante is mr. Biemond verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 21 maart 2006 heeft de Svb appellante met ingang van 1 mei 2006 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet naar de norm voor een alleenstaande toegekend. Appellante ontving daarnaast van de Svb met ingang van 1 juli 2006 aanvullende bijstand, nu aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (aanvulling) geheten, op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellante heeft op 15 september 2011 opgave van inkomsten gedaan. Naar aanleiding van deze opgave heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte aanvulling. In dat kader heeft de Svb onder andere bankafschriften opgevraagd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat sinds juli 2006 maandelijks kasstortingen en bijschrijvingen door derden plaatsvinden op de betaalrekeningen van appellante. Bovendien ontvangt zij met ingang van 1 februari 2006 een pensioen van de Sociale verzekeringsbank te Willemstad, ontvangt zij met ingang van 1 december 2009 een bijzonder partnerpensioen van de Stichting Pensioenfonds voor de Woningcorporaties en ontving zij van 1 december 2009 tot en met 24 december 2011 uitkeringen uit een lijfrentepolis van ASR Levensverzekeringen.

1.3. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft de Svb bij besluit van 24 januari 2012 de aanvulling over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 oktober 2011 ingetrokken. Bij besluit van 27 februari 2012 heeft de Svb de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 30.958,77.

1.4. Bij besluit van 1 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 24 januari 2012 en 27 februari 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb ten onrechte alle door appellante in een jaar ontvangen bedragen heeft opgeteld en heeft toegerekend aan alle maanden van dat kalenderjaar. De Svb had een berekening op maandbasis moeten maken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken. Bij dat besluit heeft de Svb de bezwaren van appellante wederom ongegrond verklaard en het verzoek afgewezen om de in verband met de behandeling van de bezwaren gemaakte kosten te vergoeden.

4.2. De Svb heeft ter zitting van de Raad het standpunt ingenomen dat het nader besluit niet in stand kan blijven voor zover dit de maanden september en oktober 2011 betreft en dat, gelet daarop, de in verband met de behandeling van de bezwaren en het beroep redelijkerwijs gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

4.3. Het hoger beroep beperkt zich op grond van het verhandelde ter zitting tot de beroepsgrond dat appellante leningen is aangegaan en dat de in verband daarmee van derden ontvangen bedragen niet zijn aan te merken als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB. Deze grond slaagt niet. Appellante heeft haar stelling dat zij leningen is aangegaan niet afdoende met stukken onderbouwd. Voor zover zij wel stukken heeft aangedragen, zoals in het geval van [H.] en [A.], kan daaruit niet worden afgeleid dat sprake is van een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting. Daartoe bevatten de betreffende stukken onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens. Dit is mogelijk anders voor zover dit de overeenkomsten van geldlening met [J.] en [G.] betreft. Of de daaruit ontvangen gelden tot de middelen van appellante moeten worden gerekend, kan echter in het midden blijven. De betreffende overeenkomsten zien op een bedrag van € 1.000,- dat is ontvangen in april 2011, bedragen van € 50,- en € 310,- die zijn ontvangen in januari 2011 en een bedrag van € 1.500,- dat is ontvangen in juli 2011. Ook als die bedragen bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten, heeft appellante in de betreffende maanden immers als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB aan te merken middelen ontvangen boven de voor haar geldende bijstandsnorm.

4.4. Uit wat in 4.3 is overwogen, volgt dat de in hoger beroep resterende beroepsgrond niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd voor zover aangevochten.

4.5. Uit wat in 4.2 is overwogen, volgt dat het beroep van appellante tegen het nader besluit gegrond is en dat dit besluit dient te worden vernietigd voor zover dit de intrekking van de aanvulling over september en oktober 2011 betreft. De Raad ziet aanleiding het besluit van 24 januari 2012 in zoverre te herroepen en zelf voorziend te bepalen dat deze uitspraak daarvoor in de plaats treedt. Omdat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, dient het nadere besluit tevens te worden vernietigd voor zover dit de terugvordering betreft. De Svb zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 februari 2012. Dit nieuwe besluit vergt van de Svb slechts een rekenkundige uitwerking die naar verwachting tussen partijen niet tot een geschil leidt. Daarom is een bestuurlijke lus niet aangewezen.

5. Gelet op wat in 4.2 is overwogen, bestaat aanleiding de Svb te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar en op € 974,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 december 2012 gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 december 2012 voor zover dat betreft de intrekking over september en oktober 2011 en de terugvordering;
- herroept het besluit van 24 januari 2012 voor zover dat ziet op de intrekking over september
en oktober 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het deel van het vernietigde besluit dat ziet op de intrekking;
- draagt de Svb op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2012;
- veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-;
- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot