Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:2137
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 13/1569 WWB
Datum uitspraak: 24-06-2014
Wetsartikelen: artt. 17, 32, 54 en 58 Wwb
Essentie: Herziening en terugvordering bijstandsuitkering tot een bedrag van €10.571,19 omdat appellant werkzaamheden heeft verricht in verband met de krantenwijk die op naam staat van zijn zoon. Die werkzaamheden zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten, waarvan appellant geen melding aan het college heeft gedaan. De inkomsten uit deze krantenwijk zijn als inkomsten van appellant aangemerkt. Appellant heeft geen duidelijk inzicht gegeven in de omvang van zijn aandeel in de krantenwijk van zijn zoon.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 13/1569 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 februari 2013, 11/1866 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.P. Cornelissen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gashi en M. Conde.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 16 december 2006 tezamen met zijn echtgenote bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van signalen dat appellant werkzaamheden ten behoeve van de krantenwijk van zijn zoon verrichtte, heeft het team Juridische zaken en sociale recherche Regio Helmond (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende bijstand. De sociale recherche heeft in dat kader onder meer waarnemingen verricht en enkele getuigen gehoord. Verder heeft de sociale recherche appellant en zijn zoon, [zoon appellant], op 10 september 2009 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 juni 2010.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 december 2010 de bijstand van appellant te herzien over de periode van 16 december 2006 tot en met 30 september 2009 en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 10.571,19 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant werkzaamheden heeft verricht in verband met de krantenwijk, die op naam staat van zijn zoon. Die werkzaamheden zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten, waarvan appellant geen melding aan het college heeft gedaan. De inkomsten uit deze krantenwijk zijn als inkomsten van appellant aangemerkt.

1.4. Bij besluit van 26 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt dat de inkomsten van de krantenwijk van zijn zoon niet volledig aan hem kunnen worden toegerekend, aangezien hij zijn zoon slechts heeft geholpen en de inkomsten volledig ten goede zijn gekomen aan zijn zoon. Appellant handhaaft het reeds in beroep ingenomen standpunt dat slechts een bedrag van € 1.786,31 aan hem kan worden toegerekend in verband met de werkzaamheden die hij heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat appellant gedurende de in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht in verband met de krantenwijk van zijn zoon en dat hij dat niet aan de gemeente heeft gemeld. Appellant heeft daarmee gehandeld in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting.

4.2. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3. Appellant heeft geen duidelijk inzicht gegeven in de omvang van zijn aandeel in de krantenwijk van zijn zoon. De periodes en bedragen die volgens appellant zouden moeten leiden tot een terugvordering van maximaal € 1.786,31, heeft appellant niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. De verklaring van appellant dat hij in 2007 en 2008 alleen in de maand juli, tijdens de vakantie van zijn zoon, de kranten heeft bezorgd en in het jaar 2009 de helft van de krantenwijk voor zijn rekening heeft genomen komt niet overeen met zijn verklaring tegenover de sociale recherche, dat hij ook in 2007 en 2008 buiten de zomervakantie werkzaam is geweest. Uit de verklaring van de zoon van appellant blijkt eveneens dat appellant vaker de krantenwijk voor zijn rekening heeft genomen dan de thans gestelde zomerperioden. Bovendien kan uit de verklaring, die appellant op 10 september 2009 heeft afgelegd, worden afgeleid dat hij per saldo meer dan de helft van de werkzaamheden in verband met de bezorging van de kranten voor zijn rekening heeft genomen. Doordat appellant tegenstrijdig heeft verklaard en verder onvoldoende inzicht heeft gegeven over zijn aandeel in de krantenwijk, is het precies of schattenderwijs vaststellen van de inkomsten die appellant heeft ontvangen of had kunnen bedingen, en daarmee de omvang van zijn inkomsten uit de krantenwijk, niet mogelijk. Gelet hierop was het college bevoegd om de bijstand over de hier in geding zijnde periode te herzien tot het bedrag ter hoogte van de volledige inkomsten uit deze krantenwijk.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) O.P.L. Hovens