Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:2146
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 12/3796 WWB en 13/4950 WWB
Datum uitspraak: 24-06-2014
Wetsartikelen: artt. 11, 17, 34, 50, 54 en 58 Wwb / 6:19 en 6:24 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding van de vermogensgrens met €86.900,-. Door van de eigendom van de woning geen melding te maken aan het college en zich als huurder te presenteren, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De gestelde schuld bij zijn moeder is niet in voldoende mate aannemelijk gemaakt en ook staat niet vast dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/3796 WWB en 13/4950 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 mei 2012, 11/454 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Door partijen zijn stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M.M. Adema.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 14 augustus 2009 bijstand naar de norm van een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft bij de bijstandsaanvraag aan het college meegedeeld dat hij woont op het adres [adres] te [woonplaats] (woning) en dat hij de woning van zijn moeder huurt. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college appellant verzocht gegevens over te leggen, onder meer bewijzen van betaling van huur van de woning en bankafschriften van bankrekening met nummer [bankrekeningnummer]. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellant sinds 18 juli 2006 de woning in eigendom heeft.

1.2. Bij besluit van 10 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 14 augustus 2009 ingetrokken en de over de periode van 14 augustus 2009 tot en met 30 november 2011 (lees: 2010) gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.766,85 van hem teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft nagelaten alle gegevens met betrekking tot de bankrekening met het nummer [bankrekeningnummer] over te leggen en hij heeft niet meegedeeld dat hij de woning in eigendom heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door te verzwijgen dat hij de eigenaar is van de woning en door van de rekening [bankrekeningnummer] geen bankafschriften over te leggen. De stelling van appellant dat de rekening al was opgeheven voordat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde heeft hij niet met objectieve gegevens onderbouwd. Door het hierdoor ontstane gebrek aan volledig inzicht in de financiële situatie van appellant heeft het college zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt kunnen stellen dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft hierbij gegevens overgelegd met betrekking tot de onder 1.2 vermelde bankrekening waaruit volgt dat deze eind 2006 is opgeheven en dat het saldo toen € 0,- was. Ten aanzien van de woning heeft hij gesteld dat deze zijn eigendom is, maar dat deze is belast met een volledige hypotheek ten gunste van zijn moeder (hypotheekgever). Hij huurt de woning van zijn moeder en is haar maandelijks een vergoeding schuldig voor rente en kosten waardoor hij de woning niet als zijn eigendom heeft beschouwd. Tevens verzoekt hij om vergoeding van wettelijke rente.

3.2. Van de kant van de Raad is het college bij brief van 25 juli 2013 onder meer gewezen op vaste rechtspraak van de Raad inhoudende dat het recht op bijstand moet worden vastgesteld als dit mogelijk is.

3.3. Bij besluit van 29 juli 2013 (nader besluit) heeft het college de intrekking en terugvordering gehandhaafd op de grond dat appellant over de periode van 14 augustus 2009 tot en met 30 november 2010 geen recht op bijstand heeft wegens overschrijding van het op hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het nadere besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

4.2. De te beoordelen periode loopt met betrekking tot de intrekking van de bijstand van 14 augustus 2009 tot en met 10 januari 2011, de datum van het intrekkingsbesluit, en met betrekking tot de terugvordering van 14 augustus 2009 tot en met 30 november 2010.

4.3. Reeds gelet op het nadere besluit kan het bestreden besluit niet in stand blijven zodat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Vervolgens zal de Raad bezien of het nadere besluit in stand kan blijven.

4.4. Aan het nadere besluit ligt ten grondslag dat appellant gedurende de te beoordelen perioden de beschikking heeft gehad over vermogen in de vorm van de woning waarvan de waarde uitkomt boven de op hem van toepassing zijnde vermogensgrens, zodat geen recht op bijstand bestond.

4.5. Ingevolge artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde hier in geding, wordt in een geval als het onderhavige de bijstand verleend in de vorm van een geldlening voor zover het vermogen gebonden in de woning hoger is dan € 46.100,- bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB.

4.6. Niet betwist wordt dat appellant de woning op 17 juli 2006 heeft gekocht van zijn moeder voor een bedrag van € 137.000,-. De moeder van appellant, geboren op [in] 1941, had de woning zelf op 17 juli 2006 aangekocht en dezelfde dag nog verkocht aan appellant. Verder wordt niet betwist dat de WOZ-waarde van de woning op 1 januari 2011 € 133.000,- betrof. Appellant heeft aangevoerd dat er geen sprake is van vermogen omdat hij ter financiering van de woning een bedrag van € 146.307,86 van zijn moeder heeft geleend, waarvoor hij ten behoeve van zijn moeder een recht van hypotheek op zijn woning heeft gevestigd voor een hoofdsom van € 146.307,86 en voor een bedrag van € 58.523,14 ter meerdere zekerheid.

4.7. Door van de eigendom van de woning aan het college geen melding te maken en zich als huurder te presenteren, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellant, gelet op de wijze van financiering van de woning, zich niet als eigenaar beschouwde, kan aan het voorgaande niet afdoen.

4.8. Het geschil spitst zich toe op de vraag of rekening moet worden gehouden met een door appellant gestelde schuld bij zijn moeder, als gevolg waarvan het totale vermogen onder genoemde grens van € 46.100,- zou komen te liggen.

4.9. Naar vaste rechtspraak van de Raad dienen positieve bestanddelen van het vermogen van een bijstandsgerechtigde slechts gesaldeerd te worden met schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval het feitelijk bestaan van de door appellant gestelde schuld aan zijn moeder in voldoende mate aannemelijk is gemaakt. Anders dan door appellant is gesteld wordt de vraag of sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting ontkennend beantwoord. Daartoe is het volgende samenstel van feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband bezien, in aanmerking genomen. Voorop wordt gesteld dat de aflossing aan het einde van de looptijd van de lening op 17 juli 2036 twijfelachtig is, gelet op de leeftijd van de moeder ten tijde van het afsluiten van de lening. Voor zover de aflossing is gekoppeld aan de verkoop van de woning is er evenmin sprake van een reële terugbetalingsverplichting, nu deze afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Verder is in dit verband van belang dat naast appellant ook [T.], geboren [in] 1973, niet de toekomstige erfgenaam is. Voorts kan in het verlengde hiervan niet gesproken worden van een reële verplichting tot betaling van de overeengekomen rente. Niet gebleken is dat appellant feitelijk de met zijn moeder overeengekomen huur heeft betaald, waarin een vergoeding voor rente zou zijn begrepen. Weliswaar heeft appellant gesteld dat hij met zijn moeder op 23 juli 2008 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, waarbij het bedrag van de tweede hypotheek vermeerderd met de tot dan toe verschuldigde rente werd verrekend met het erfdeel van € 67.911,- waar appellant recht op had als gevolg van het overlijden van zijn vader, doch daarmee blijft onverlet dat in ieder geval vanaf 2009, zoals door appellant ter zitting is bevestigd, feitelijk geen rente is betaald. Dat appellant zoals hij stelt een reële schuld opbouwt uit vervallen en niet betaalde rentetermijnen, is niet aannemelijk, aangezien er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de opbrengst van de woning bij eventuele verkoop voldoende zal zijn voor het (volledig) voldoen van de hoofdsom alsmede het verschuldigde bedrag aan rente. Verder wordt van belang geacht dat appellant uitsluitend in staat is zijn woonlasten te voldoen omdat hij feitelijk, in ieder geval zo lang hij in de woning verblijft, niet hoeft af te lossen, geen rente hoeft te betalen ter zake van de schuld aan zijn moeder en feitelijk geen huur betaalt. Uit het voorgaande volgt tevens dat de schuld die is aangegaan ter meerdere zekerheid reeds op 23 juli 2008 is afgelost.

4.11. Uit 4.6 tot en met 4.10 volgt dat het vermogen van appellant waarmee de in artikel 34, derde lid, van de WWB genoemde vermogensgrens wordt overschreden in beginsel moet worden bepaald op € 86.900,- uitgaande van een waarde van de woning van € 133.000,-. Hieruit volgt dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant over de hier te beoordelen periode geen recht heeft op bijstand om niet, zodat de bijstand terecht is ingetrokken.

4.12. Tegen de terugvordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

4.13. Het beroep tegen het nadere besluit dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente wordt derhalve afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Daarbij is van belang geacht dat de nadere gegevens over de bankrekening eerst in hoger beroep zijn overgelegd en er geen aanleiding is om aan te nemen dat deze gegevens niet eerder hadden kunnen worden overgelegd.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigd het besluit van 5 april 2011;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 juli 2013 ongegrond;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) D. Heeremans