Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:3251
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 13/1336 WWB, 13/1337 WWB en 13/1338 WWB
Datum uitspraak: 07-10-2014
Wetsartikelen: artt. 11, 17, 53a en 54 Wwb / 6:22, 7:11 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking bijstand omdat appellante door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek de op haar ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wwb rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het betoog van appellante dat het college van haar geen medewerking mocht verlangen aan het afleggen van een huisbezoek omdat een melding van zes jaar terug waaruit twijfel over de woon- en leefsituatie naar voren is gekomen geen redelijke grond vormt voor een huisbezoek en dat appellante niet is geïnformeerd over wat meer dan die melding tot een huisbezoek noopt, wordt verworpen. Ter zake van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank niet onderkend dat appellante de hoogte van de toegekende wettelijke rente heeft betwist en dat de wijze waarop de wettelijke rente is berekend onjuist is. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dat besluit dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 13/1336 WWB, 13/1337 WWB en 13/1338 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 februari 2013, 12/831, 12/832, 12/833 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Beek (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Haggenburg.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 9 juni 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in aanvulling op de door haar ontvangen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

1.2. Naar aanleiding van meldingen in het verleden, die inhielden dat appellante op het adres van haar zus verblijft, heeft een medewerker van de afdeling Werk en Inkomen, tevens toezichthouder, een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit dossieronderzoek, het opvragen van gegevens bij openbare diensten en instanties en waarnemingen bij de woning van appellante door de unit Sociale Recherche van de gemeente Beek. Appellante is vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 4 april 2010 met de toezichthouder. In dit gesprek heeft deze toezichthouder aan appellante kenbaar gemaakt dat hij, aansluitend aan het gesprek, een huisbezoek wilde afleggen. Appellante heeft hiervoor geen schriftelijke toestemming gegeven. De toezichthouder heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 11 april 2011.

1.3. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 13 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2011 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 4 april 2011 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante, door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek, de op haar ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Op 18 mei 2011 heeft appellante zich opnieuw gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen.

1.5. Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college deze aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat appellante niet alle benodigde informatie had verstrekt.

1.6. Bij besluit van 21 oktober 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college het tegen het besluit van 23 augustus 2011 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en te kennen gegeven dat dit betekent dat de aanvraag om bijstand van 18 mei 2011 opnieuw in behandeling wordt genomen. Bij besluit van diezelfde datum is aan appellante met ingang van 18 mei 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 4 januari 2012 zijn, aanvullend op bestreden besluit 2, alsnog kosten van rechtsbijstand en wettelijke rente toegekend, omdat deze abusievelijk niet waren opgenomen in het bestreden besluit 2.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 1 en tegen de toekenningsbeslissing van 21 oktober 2011 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Bestreden besluit 1

4.1. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien de belanghebbende niet aan de medewerkingsverplichting voldoet is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij de aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.3. Het betoog van appellante dat het college van appellante geen medewerking mocht verlangen aan het afleggen van een huisbezoek omdat een melding in 2005 zes jaren later geen redelijk grond vormt voor een huisbezoek en dat appellante niet is geïnformeerd over wat meer dan die melding in 2005 tot een huisbezoek noopt, wordt verworpen. De meldingen van 2005 hebben aanleiding gegeven om nader onderzoek te verrichten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het onder 1.2 bedoelde rapport. Appellante heeft de juistheid van de onderzoeksbevindingen niet betwist. Appellante is in het gesprek op 4 april 2011 met de onderzoeksbevindingen geconfronteerd en in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Gezien de bevindingen, waaronder met name het extreem lage verbruik van gas en water op het uitkeringsadres, zoals vermeld in het rapport van 11 april 2011, en de op 4 april 2011 afgelegde verklaring kon bij het college redelijkerwijs twijfel bestaan over de juistheid van de opgave van het woonadres door appellante. Dit betekent dat een redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig was en dat het college terecht van appellante heeft gevraagd medewerking te verlenen aan het huisbezoek.

4.4. De beroepsgrond dat appellante haar medewerking niet heeft geweigerd, faalt. Appellante heeft aangevoerd dat zij het formulier niet heeft willen ondertekenen omdat zij de inhoud daarvan niet begreep, maar dat de medewerker wel met haar mee mocht gaan voor een huisbezoek en dat het feit dat de medewerker dat niet heeft gedaan voor rekening van de gemeente komt. Evenals de rechtbank ziet de Raad in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het gespreksverslag van 4 april 2011 en de rapportage van 11 april 2011, beiden opgemaakt door de toezichthouder. Uit die stukken blijkt niet dat appellante heeft gezegd dan wel op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij de medewerker toestemming verleende voor een huisbezoek. De tolk heeft aan het einde van het gesprek aan appellante meerdere keren de strekking van het toestemmingsformulier uitgelegd. Haar is voorts uitgelegd dat zij, indien zij het formulier niet zou tekenen, zij niet zou voldoen aan haar medewerkingsverplichting en dat dit grond zou vormen om de bijstand te beëindigen. Appellante bleef echter bij haar standpunt en heeft geweigerd het formulier ‘Bevestiging toestemming huisbezoek’ te ondertekenen. Dat zij de inhoud daarvan niet heeft begrepen, zoals zij ook toen al heeft aangevoerd, is niet aannemelijk, aangezien het gesprek is gevoerd met behulp van een beëdigd, via het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland ingeschakelde, tolk. Bovendien is appellante in het eerste deel van het gesprek geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen, zijn haar daarover vragen gesteld en heeft zij daarover verklaringen afgelegd. Op geen enkele wijze blijkt uit het gespreksverslag en de rapportage dat zij toen de tolk niet begreep.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 4 april 2011 in te trekken. Zoals het college ook in zijn reactie van 25 april 2014 nog heeft toegelicht is in het besluit intrekking van de bijstand vanaf 2007 niet opgenomen en zou daarover nog nadere besluitvorming volgen. Wat in hoger beroep hierover is aangevoerd berust dan ook op een verkeerde lezing van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.



Bestreden besluit 2

5.1. Bij het besluit van 21 oktober 2011 is beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 augustus 2011 en aangekondigd dat een nader besluit over het recht op bijstand zal volgen. Op diezelfde datum nog is het besluit van 21 oktober 2011 tot toekenning van bijstand met ingang van 18 mei 2011 genomen. Dit besluit had moeten worden opgenomen in de beslissing op bezwaar van 21 oktober 2011 en deze besluiten vormen tezamen dan ook het bestreden besluit 2. Ook het besluit van 4 januari 2012 dat, zo blijkt duidelijk uit de bewoordingen, een aanvulling is op het besluit op bezwaar van 21 oktober 2011 moet worden gezien als onderdeel van bestreden besluit 2. Terecht is in hoger beroep aangevoerd dat het in getrapte vorm op het bezwaar beslissen in strijd is met artikel 7:11 van de Awb, wat ook het college ter zitting heeft erkend. Appellante heeft echter niet toegelicht op welke wijze zij daardoor in haar belangen is geschaad, zodat aan deze enkele constatering met toepassing van artikel 6:22 van de Awb geen verdere gevolgtrekkingen worden verbonden. Onder de gegeven omstandigheden is besluitvorming gevolgd over het bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2011, het recht op bijstand per 18 mei 2011, de wettelijke rente en de proceskosten, welke besluiten tezamen als bestreden besluit 2 zijn te beschouwen.

5.2. De beroepsgrond dat bij de toekenning van de bijstand het vermogen onjuist is vastgesteld, slaagt niet. Het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat appellante op 18 mei 2011 (nog) geen schuld had aan het college. Appellante doelt kennelijk op de aankondiging van het college dat over de periode vanaf 2007 nog nadere besluitvorming zal volgen over de intrekking en terugvordering, maar, zoals uit 4.5 al volgt, moet deze besluitvorming nog plaatsvinden en was daarvan in elk geval op 18 mei 2011 nog geen sprake.

5.3. De beroepsgrond over het niet juist berekenen van de wettelijke rente slaagt. Appellante heeft allereerst terecht opgemerkt dat zij in het beroepschrift van 20 januari 2012, gericht tegen het aanvullende besluit van 4 januari 2012, al heeft aangevoerd dat de berekening van de wettelijke rente niet klopt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat appellante de hoogte van de vergoeding van de wettelijke rente niet heeft betwist, zodat zij geen belang heeft bij het handhaven van het beroep tegen bestreden besluit 2. Met betrekking tot de wettelijke rente heeft de gemachtigde van het college ter zitting toegelicht dat de wijze van berekenen van de wettelijke rente berust op wat hij heeft aangeduid als een technische uitvoering, waarbij over het geheel van de na te betalen periode is bezien welk bedrag aan appellante is uitbetaald en wat haar recht op bijstand was. Daarbij is per maand rekening gehouden met het openstaande saldo van het voorschot. De gemachtigde heeft erkend dat bij het vaststellen van de wettelijke rente eerst met het uitbetalen van het voorschot rekening kan worden gehouden vanaf de datum van uitbetaling van dat voorschot, in dit geval op 24 november 2011. Het uitbetaalde voorschot kan geen betekenis hebben bij het berekenen van de wettelijke rente over de periode van 18 mei 2011 tot 24 november 2011. Uit de aan het bestreden besluit 2 ten grondslag liggende stukken valt echter niet anders af te leiden dan dat al vanaf 18 mei 2011 bij het bepalen van de wettelijke rente rekening is gehouden met de aflossing van het voorschot. In zoverre is het besluit over de wettelijke rente onjuist en kan dit niet in stand blijven.

5.4. De rechtbank heeft niet onderkend dat appellante de hoogte van de toegekende wettelijke rente heeft betwist en dat de wijze waarop de wettelijke rente is berekend onjuist is. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellante en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen dat besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit 2 vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de wettelijke rente.

5.5. Het college zal een nieuwe berekening van de toe te kennen wettelijke rente moeten maken. Er bestaat in dit geval geen aanleiding voor de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschilbeslechting. Bij de door het college uit te voeren berekening van de toe te kennen wettelijke rente gaat het immers slechts om een financiële uitwerking. De Raad zal het bestuur op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen.

6. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2011 niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het beroep van appellante tegen dat besluit gegrond en vernietigt het besluit van 21 oktober 2011 voor zover dit betrekking heeft op de aan appellante toe te kennen wettelijke rente;
- draagt het college op ten aanzien van de wettelijke rente over de na te betalen bijstand een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor het overige;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 159,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) S.W. Munneke