Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2014:3416
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 12/2500 WWB-T
Datum uitspraak: 21-10-2014
Wetsartikelen: artt. 11, 17, 32, 34, 54 en 58 Wwb / 7:12 Awb / 21 Bw
Essentie: Tussenuitspraak. Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de periode in geding contante bedragen op zijn bankrekening heeft gestort waarvan de herkomst onduidelijk is gebleven. De Raad oordeelt dat een eenmalige kasstorting die, in afwijking van de voorgaande periodieke kasstortingen, de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaat, moet worden aangemerkt als vermogen. Het recht op bijstand kan wel worden vastgesteld. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 12/2500 WWB-T




T U S S E N U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2012, 11/8407 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.D. Sint Nicolaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. A.R. Rens, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N. Roodenburg, kantoorgenoot van mr. Rens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.S. van Tricht.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 11 juni 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In het kader van een heronderzoek heeft een medewerker van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Delft op 4 januari 2011 een gesprek met appellant gehad. Tijdens dat gesprek is aan de hand van bankafschriften geconstateerd dat appellant diverse contante stortingen op zijn bankrekening heeft gedaan. Het college heeft een nader onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat appellant in de periode van 12 maart 2010 tot en met 4 maart 2011 elke maand, behalve in de maanden juli 2010, november 2010 en december 2010, geld op zijn bankrekening heeft gestort, in totaal € 9.220,-. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 17 maart 2011.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 17 maart 2011 de bijstand van appellant over de perioden van 10 maart 2010 tot en met 30 juni 2010, 1 augustus 2010 tot en met 31 oktober 2010 en 1 december 2010 tot en met 31 december 2010 in te trekken en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.741,39 bruto van appellant terug te vorderen.

1.4. Bij afzonderlijk besluit van 17 maart 2011 heeft het college de bijstand met ingang van 1 januari 2011 ingetrokken.

1.5. Bij besluit van 23 september 2011 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 maart 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant in de genoemde periode contante bedragen op zijn bankrekening heeft gestort waarvan de herkomst onduidelijk is gebleven. Daarbij heeft het college de twee stortingen van in totaal € 6.500,- in de maand oktober 2010 relevant geacht voor het recht op bijstand van appellant in de periode van 1 december 2010 tot en met 17 maart 2011.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op de bankrekening van appellant zijn in de in geding zijnde maanden regelmatig kasstortingen gedaan tot in totaal een bedrag van € 9.220,-. Van deze kasstortingen heeft appellant bij het college geen melding gemaakt.

4.2. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door van de kasstortingen geen melding te maken. Periodieke kasstortingen als hier aan de orde kunnen immers van invloed zijn op het recht op bijstand. De stelling van appellant dat hij wel heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting door in 2008 bij het college melding te maken van het feit dat hij regelmatig geld van zijn zus leende, houdt geen stand. Appellant heeft ter zitting verklaard dat de kasstortingen geen betrekking hadden op die leningen. Daarnaast ziet de melding van appellant niet op de periode die hier van belang is.

4.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de beoordelingsperiode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4. Indien ondanks schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. Er is dan geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5. Appellant heeft de herkomst van de kasstortingen niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het geld afkomstig is uit geldleningen van zijn zus [zus] en [X.], M[Y.] en [Z.]. De door appellant overgelegde schriftelijke verklaringen van genoemde personen waarin is vermeld dat zij appellant geld hebben geleend, zijn bovendien achteraf opgesteld en zijn niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de enkele verklaring van de zus van appellant een onvoldoende basis is voor de conclusie dat de aflossing van de lening van appellant op 4 oktober 2010 is betaald met gelden die van haar afkomstig zijn. Ook ten aanzien van de overige stortingen heeft appellant geen afdoende verklaring kunnen geven. De enkele omstandigheid dat hij maandelijks een bedrag van € 25,- aan [X.] heeft afbetaald, is onvoldoende om de herkomst van de stortingen te verklaren. Gelet op het vorenstaande kan de herkomst van de op de bankrekeningen door kasstortingen bijgeschreven bedragen niet worden vastgesteld.

4.6. De bedragen die appellant via kasstortingen in de maanden maart, april, mei, juni, augustus en september 2010 en januari, februari en maart 2011 op zijn bankrekening heeft ontvangen kunnen worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB dat hij heeft genoten in de maanden waarin die stortingen plaatsvonden. Van belang is daarbij dat appellant deze bedragen onmiddellijk kon inzetten voor de voorziening in zijn levensonderhoud.

4.7. Uit de gedingstukken is niet gebleken van concrete feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat appellant in de maanden in 2010, genoemd in 4.6, méér inkomsten heeft gehad dan uit de bankafschriften naar voren komt. Dat is ook ter zitting door het college erkend. Het college heeft uitsluitend de inkomsten uit kasstortingen aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, terwijl alle bankafschriften met de bijgeschreven bedragen uit kasstortingen over de periode van maart 2010 tot en met september 2010 bij het college bekend zijn, zodat het recht op bijstand over deze periode kan worden vastgesteld. De kasstortingen in deze periode gingen de op appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm niet te boven, zodat het college de bijstand over deze maanden ten onrechte volledig heeft ingetrokken. Het college zal daarom het recht op aanvullende bijstand over deze maanden moeten vaststellen en bepalen tot welk bedrag aan kosten van bijstand over die maanden van appellant kan worden teruggevorderd.

4.8. Het college heeft de twee kasstortingen op 4 oktober 2010 van in totaal € 6.500,- aangemerkt als inkomsten en toegerekend aan de maand oktober 2010 en de periode van 1 december 2010 tot en met 17 maart 2011. Gelet op de reeks van kasstortingen die vanaf maart 2010 hebben plaatsgevonden, bestaat aanleiding om de beide kasstortingen op 4 oktober 2010 aan te merken als inkomen dat appellant in die maand heeft genoten. Daaruit vloeit voort dat appellant in oktober 2010 geen recht op bijstand had. Voor een toerekening van een deel van deze stortingen aan de periode van 1 december 2010 tot en met 17 maart 2011, zoals het college kennelijk beoogt, bestaat onvoldoende grond. Het bedrag van € 6.500,- verminderd met het bedrag aan de toepasselijke bijstandsnorm over oktober 2010 moet dan ook worden toegevoegd aan het vermogen van appellant. Het college dient te onderzoeken of deze vermogensvermeerdering gevolgen heeft voor de bijstandsverlening aan appellant. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.9. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BH0415) kan tijdens een ononderbroken bijstandsperiode maar éénmaal een bedrag ter hoogte van de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB worden vrijgelaten. Dit betekent dat bij tussentijdse toename van het vermogen, na een eerdere positieve vermogensvaststelling, slechts het verschil tussen het eerder vastgestelde vermogen en de in acht te nemen vermogensgrens kan worden vrij gelaten. Het college zal daarom moeten bezien of appellant het bedrag van € 6.500,- volledig had moeten aanwenden voor zijn levensonderhoud. Daarvan is sprake als appellant bij aanvang van de bijstandsverlening of op enig later moment beschikte over een vermogen ter grootte van het vrij te laten vermogen, waardoor geen sprake (meer) was van een resterend bedrag aan vrij te laten vermogen. Heeft appellant nimmer beschikt over enig vermogen of alleen over een negatief vermogen, dan had hij het vermogen van € 6.500,- voor zover dat de toepasselijke vermogensgrens in oktober 2010 overschreed voor zijn levensonderhoud moeten aanwenden. Ook als appellant bij aanvang van de bijstandsverlening of op enig moment nadien beschikte over een positief vermogen dat beneden de vermogensgrens lag zal het bedrag van de vermogensoverschrijding in oktober 2010 moeten worden vastgesteld.
Op grond van deze berekening zal het college het bedrag van de ten onrechte aan appellant verstrekte bijstand kunnen vaststellen.

4.10. Het voorgaande betekent dat het besluit van 23 september 2011 op een ondeugdelijke motivering berust en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover aangevochten, vernietigen.

4.11. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad, omdat thans niet alle bankafschriften van appellant voorhanden zijn en geen gegevens beschikbaar zijn over het vermogen van appellant bij aanvang van de bijstand, evenmin zelf in de zaak voorzien. Het college zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen. Daarbij kan het college tevens in ogenschouw nemen of over de periode hier van belang nog één of meerdere bankafschriften van de bankrekening van appellant ontbreken en, zo ja, of dat tot gevolg heeft dat het recht op bijstand van appellant over een deel van deze periode niet kan worden vastgesteld.

4.12. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

De griffier is buiten staat te ondertekenen