Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:422
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 14/3878 WWB
Datum uitspraak: 17-02-2015
Wetsartikelen: artt. 8, 9 en 18 Wwb
Essentie: Oplegging maatregel van 100% gedurende één maand wegens de beëindiging van het re-integratietraject door toedoen van betrokkene. De Raad oordeelt dat de gemeentelijke verordening geen verbindende kracht heeft voor zover uit de in de toelichting opgenomen criteria van maatregelwaardige gedragingen en de hoogte en duur van de op te leggen maatregelen niet kan worden opgemaakt welke gevolgen aan de te onderscheiden gedragingen worden verbonden.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 14/3878 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2014, 13/8348 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant),

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene).




PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier. Namens betrokkene is verschenen mr. El Idrissi.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt sinds 9 augustus 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 1 oktober 2012 is betrokkene bij De Traverse begonnen met een traject, bestaande uit een opleiding en een stage, die bij afronding zouden leiden tot het behalen van een MBO2-diploma. Op 26 april 2013 heeft De Traverse aan de klantmanager van betrokkene gemeld dat betrokkene sinds twee weken niet meer op de stageplek en op de opleiding was verschenen. De klantmanager heeft vervolgens met betrokkene afspraken gemaakt om het traject weer op te pakken. Op 18 juni 2013 heeft De Traverse gemeld dat betrokkene zich niet aan de afspraken heeft gehouden en met ingang van 14 juni 2013 van het traject is verwijderd.

1.2. Bij besluit van 19 juli 2013 heeft appellant de bijstand van betrokkene bij wijze van maatregel met ingang van 1 augustus 2013 voor de duur van één maand met 100% verlaagd.

1.3. Bij besluit van 12 december 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene door eigen toedoen zijn stage is kwijtgeraakt. Dit levert volgens artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ Rotterdam 2013 (Verordening 2013) een maatregel op van 100% gedurende een maand. Appellant heeft in het verweerschrift hangende beroep de motivering van het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de maatregel niet is opgelegd in verband met het verwijtbaar kwijtraken van een stage, maar vanwege de beëindiging van het traject bij De Traverse door toedoen van betrokkene.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 19 juli 2013 herroepen en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 6 van de Verordening 2013 en de toelichting op de verordening onvoldoende criteria bevatten op grond waarvan de hoogte en duur van een maatregel per gedraging kunnen worden bepaald. Artikel 6 van de Verordening 2013 mist daarom in zijn geheel verbindende kracht. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:608, met betrekking tot artikel 8 van de Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (Verordening 2009).

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad regels vast met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843) is hiermee aan de gemeenteraad de exclusieve bevoegdheid toegekend om regels vast te stellen met betrekking tot onder meer het verlagen van de bijstand wegens het niet nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen. Zoals de Raad eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943) dient deze verordening met name criteria te bevatten om de hoogte en de duur van de verlaging te kunnen vaststellen.

4.2. De Raad heeft bij de onder 2 genoemde uitspraak van 25 februari 2014 geoordeeld dat de Verordening 2009, zoals gewijzigd met ingang van 1 juli 2011, geen criteria bevat op grond waarvan de hoogte en de duur van een maatregel per gedraging kan worden bepaald. Aan de orde is de vraag of de Verordening 2013, die met ingang van 1 april 2013 in werking is getreden, deze criteria wel bevat.

4.3. Artikel 6 van de Verordening 2013 luidt als volgt:
Re-integratie en werkloosheid
1. Het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 9 van de WWB, artikel 37 van de IOAW, artikel 37 van de IOAZ of het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, leidt tot een schriftelijke waarschuwing of een maatregel, tenzij de IOAW of IOAZ op grond van artikel 3 van deze verordening wordt geweigerd.
2. Bij een lichte verplichting wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing.
3. De hoogte van de maatregel in verband met een gedraging, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt bij:
a. het onvoldoende nakomen van een verplichting: 30% gedurende een maand;
b. het niet nakomen van een verplichting of het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid: 100% gedurende een maand.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat hoewel de tekst van artikel 8 van de Verordening 2009 en artikel 6 van de Verordening 2013 gelijkluidend zijn, artikel 6 van de Verordening 2013, in het bijzonder bezien in relatie tot de bij deze verordening behorende integrale toelichting, wel voldoende criteria bevat om maatregelwaardige gedragingen te kunnen onderscheiden.

4.5. De Raad stelt voorop dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen door het college aan zijn gedraging kunnen worden verbonden. De toelichting is niet de plaats waar de criteria moeten worden opgenomen. Deze is hooguit bedoeld om de in de verordening opgenomen criteria te verduidelijken. In artikel 6 van de Verordening 2013 ontbreken de criteria om het onderscheid te maken tussen een lichte en een gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een dergelijke verplichting. Dit voert tot de conclusie dat de gemeenteraad met artikel 6 van de Verordening 2013 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem in het kader van artikel 8 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid. Het standpunt van appellant dat deze criteria in de toelichting op de Verordening 2013 voldoende zijn omschreven, leidt dan ook niet tot een andere conclusie, nog daargelaten dat ook de toelichting, hoewel uitgebreider dan de toelichting bij de Tweede wijziging van Verordening 2009, nog steeds onvoldoende onderscheid aanbrengt tussen de lichte en gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting. Nu de Verordening 2013 derhalve onvoldoende criteria bevat om de hoogte en de duur van de verlaging van de algemene bijstand te kunnen vaststellen, betekent dit dat artikel 6 van de Verordening 2013 in zijn geheel verbindende kracht mist.

4.6. Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 980,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.S. Boomhouwer