Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:3401
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 14/1586 WWB
Datum uitspraak: 06-10-2015
Wetsartikelen: artt. 13 en 17 Wwb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant in de periode in geding langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven. Het feit dat over een periode van bijna twee maanden in het buitenland pinopnames met de bankpas van appellant hebben plaatsgevonden, rechtvaardigt de vooronderstelling dat die opnames zijn gedaan door appellant. Appellant is er niet in geslaagd om het tegendeel aannemelijk te maken.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 14/1586 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2014, 13/5579 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Heijningen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. Brouwer.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft van 30 januari 2012 tot en met 23 augustus 2012 bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 13 mei 2013 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. In het kader daarvan heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam appellant verzocht om bankafschriften over te leggen. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften is naar voren gekomen dat in de periode van 4 mei 2012 tot en met 28 juni 2012 in Marokko pinopnames zijn gedaan met de bankpas van appellant.

1.3. Bij besluit van 11 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 juni 2012 tot en met 28 juni 2012 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 721,20 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant van 1 juni 2012 tot en met 28 juni 2012 langer dan 4 weken in het buitenland heeft verbleven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het feit dat over een periode van bijna twee maanden in het buitenland pinopnames met de bankpas van appellant hebben plaatsgevonden, rechtvaardigt de vooronderstelling dat die opnames zijn gedaan door appellant. Het is aan appellant om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.2. Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft zijn stelling dat zijn neef in mei en juni 2012 gebruik heeft maakt van zijn bankpas in Marokko in verband met een schuld van appellant aan die neef, niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De achteraf opgestelde verklaringen van de neef zijn daartoe onvoldoende. Bovendien zijn deze verklaringen niet eenduidig. Zo verklaart de neef enerzijds dat appellant een schuld van € 3.800,- bij hem heeft en anderzijds dat hij een schuld heeft bij appellant.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) P.W. Straalen

(getekend) C.M.A.V. van Kleef