Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AZ1825
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1825
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 06/2155 WWB
Datum uitspraak: 07-11-2006
Wetsartikelen: artt. 11, 17 en 53a Wwb
Essentie: Weigering bijstandsuitkering omdat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting omtrent de woonsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over haar feitelijke verblijfplaats. Gelet op met name de bevindingen bij het afgelegde huisbezoek aan het door appellante opgegeven adres, waarbij de woning een langdurig onbewoonde indruk maakte, was er gerechtvaardigde twijfel of appellante ten tijde in geding op dat adres woonachtig was.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 06/2155 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 maart 2006, 05/1414 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College).

Datum uitspraak: 7 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. N.M.J. van der Maas, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg. nr. 05/5603 WWB, plaatsgevonden op 26 september 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Spooren, kantoorgenoot van mr. Van der Maas, en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante heeft zich op 24 augustus 2004 bij het Centrum voor werk en inkomen gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand is door de sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen onderzoek gedaan naar het feitelijk woonadres van appellante. Daartoe is onder meer dossieronderzoek verricht, is bij diverse instanties om inlichtingen gevraagd, is appellante gehoord en is op 25 oktober 2004 een huisbezoek afgelegd op het door appellante opgegeven adres.

De bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 22 november 2004, zijn aanleiding geweest voor het College bij besluit van 23 november 2004 onder meer de aanvraag om bijstand af te wijzen. Daarbij is overwogen dat appellante niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres en dat zij de op haar rustende inlichtingen-verplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het College het tegen het besluit van 23 november 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is tussen partijen in geschil de afwijzing van de aanvraag van bijstand van appellante van 24 augustus 2004. De Raad zal zijn beoordeling tot het punt van geschil beperken.

De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar feitelijke verblijfplaats. Gelet op met name de bevindingen bij het op 25 oktober 2004 afgelegde huisbezoek aan het door appellante opgegeven adres was er gerechtvaardigde twijfel of appellante ten tijde in geding op dat adres woonachtig was.
De Raad heeft daarbij van belang geacht dat uit die bevindingen naar voren komt dat de woning een langdurig onbewoonde indruk maakte. Zo waren er geen levensmiddelen in de woning aanwezig en werd er voor het dagelijks gebruik te weinig kleding aangetroffen. Verder ontbrak de in een woning gebruikelijke huisraad vrijwel geheel. Ook was er van appellante geen persoonlijke administratie aanwezig en werden er nagenoeg geen persoonlijke eigendommen aangetroffen. De Raad is van oordeel dat het op de weg van appellante lag om deze twijfel weg te nemen. Appellante is daarin, onder meer met de door haar gegeven verklaring voor de aangetroffen situatie, niet geslaagd. Zo verklaart de omstandigheid dat zij sedert 1 juli 2004 zonder inkomen is, nog niet dat in de woning onvoldoende huisraad is aangetroffen nu appelante volgens haar opgave reeds sedert 29 april 2003 op dit adres woonachtig is.

Hieruit volgt dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting omtrent de woonsituatie, waardoor het recht op bijstand ingevolge de WWB niet is vast te stellen. Het College heeft derhalve terecht op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, van de WWB de aanvraag afgewezen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.J. de Mooij en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 november 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.