Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AZ5263
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5263
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 06/376 WWB
Datum uitspraak: 19-12-2006
Wetsartikelen: artt. 35 Wwb / 7:13 Awb
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en voor de kosten van griffierecht omdat (20% van) de draagkracht van appellante meer bedraagt dan de kosten die zij heeft gemaakt. Appellante wordt ten tijde in geding niet hulpbehoevend geacht in de zin van de Algemene bijstandsverordening van de gemeente.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 06/376 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 december 2005, 05/411 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.M. Heuveling, wonende te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006. Voor appellante zijn verschenen J. Wiersma en mr. Heuveling. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Caron, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 23 april 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 89,-- en voor de kosten van griffierecht ten bedrage van € 136,--.

Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat de draagkracht van appellante meer bedraagt dan de kosten die zij heeft gemaakt. Het College heeft daarbij de draagkracht van appellante berekend over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005, de hoogte van de draagkracht vastgesteld op € 1.101,24 en bepaald dat voor kosten als onderhavige 100% van de draagkracht in aanmerking wordt genomen.

Bij besluit van 10 februari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2004 ongegrond verklaard met dien verstande dat het College de draagkracht van appellante nader heeft berekend over de periode van 1 april 2004 tot 1 april 2005, de hoogte van de draagkracht heeft vastgesteld op € 2.101,68 en heeft bepaald dat voor kosten als de onderhavige 20% van de draagkracht (een bedrag van € 420,33) in aanmerking wordt genomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het College heeft ten behoeve van het besluit op bezwaar de Adviescommissie bezwaarschriften van de Gemeente Leeuwarden - een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - gevraagd advies uit te brengen. Voor de behandeling van een zaak is deze commissie samengesteld uit een voorzitter en twee leden. Niet in geschil is dat in dit geval het horen niet door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden.

Tussen partijen is in geschil of in het onderhavige geval de voltallige commissie niettemin het College van advies heeft gediend. Uit het verslag van hoorzitting van de commissie op 23 december 2004 blijkt dat tijdens de hoorzitting is meegedeeld dat het derde commissielid afwezig is, maar dat deze wel de stukken kent en betrokken is bij de advisering. In het verweerschrift heeft het College aangegeven dat de stukken vooraf aan de drie commissieleden worden toegezonden, dat het commissielid dat niet bij de hoorzitting aanwezig kan zijn vooraf vragen kan doorgeven en dat hij daarna inbreng heeft bij het uitbrengen van het advies. Daarbij heeft het College een afschrift gevoegd van een brief van 11 januari 2005 van de secretaris van de commissie aan de voorzitter en de leden. In die brief worden de voorzitter en de leden van de commissie gevraagd vóór 14 januari 2005 om 12.00 uur te reageren op het bijgevoegde concept-advies en het concept-hoorzittingsverslag inzake het bezwaarschrift van appellante. Vervolgens heeft de commissie op 14 januari 2005 advies uitgebracht. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel dat het op grond van artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb voor de advisering vereiste derde lid van de commissie daadwerkelijk bij de advisering betrokken is geweest. Er is daarom geen grond om te oordelen dat het College in strijd heeft gehandeld met artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

Ten gronde oordeelt de Raad als volgt.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het College bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en inkomen in aanmerking wordt genomen.

Het College heeft in het kader van de berekening van de draagkracht de voor appellante geldende bijstandsnorm vastgesteld op die voor een alleenstaande verhoogd met een toeslag van 5% van netto-minimumloon. Appellante heeft aangevoerd dat zij hulpbehoevend is en dat daarom de toeslag op 20% van het netto-minimum dient te worden bepaald. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar een advies van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD) van 24 december 2004.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b van de op de Algemene bijstandswet gebaseerde Algemene bijstandsverordening van de gemeente Leeuwarden, welke verordening op grond van artikel 3 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand geldt als de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de WWB, heeft de alleenstaande of de alleenstaande ouder recht op een toeslag van 20% van het netto-minimumloon indien de belanghebbende hulpbehoevend is. Op grond van artikel 1, aanhef en onder m, van de Algemene bijstandsverordening wordt onder hulpbehoevende verstaan degene die, indien hij niet tezamen met een ander de woning zou bewonen, zou zijn aangewezen op intensieve beroepsmatige hulp.

De Raad is van oordeel dat de voorhanden gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat appellante ten tijde hier van belang hulpbehoevend was in de zin van de Algemene bijstandsverordening. Aan de verwijzing naar het GGD-advies van 24 december 2004 hecht de Raad niet de betekenis die appellante daaraan gehecht wil zien, reeds omdat niet het gehele advies door appellante is overgelegd.

Ook de grief van appellante dat het College ten onrechte heeft bepaald dat appellante haar volledige draagkracht dient aan te wenden ter betaling van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, treft geen doel. Uit het besluit van 10 februari 2005 blijkt immers dat het College niet de volledige draagkracht maar slechts 20% daarvan in aanmerking heeft genomen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) L.M. Reijnierse.