Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BA6873
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2007:BA6873
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 06/3940 WWB
Datum uitspraak: 15-05-2007
Wetsartikelen: art. 35 Wwb
Essentie: Weigering bijzondere bijstand in de kosten van nutsvoorzieningen omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat aan appellant langdurig bijstand is verstrekt, kan op zichzelf niet gelden als bijzondere omstandigheid. Appellant had tijdig een verzoek om een betalingsregeling bij het energiebedrijf kunnen indienen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 06/3940 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 juni 2006, 06/21 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen (hierna: College).

Datum uitspraak: 15 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Gilze en Rijen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 15 juni 2005 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van nutsvoorzieningen. Bij de aanvraag heeft appellant de jaarafrekening 2004/2005 overgelegd, waaruit blijkt dat hij een bedrag van € 515,35 aan Essent is verschuldigd.

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat deze kosten niet zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voorvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij besluit van 21 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2005 onder verwijzing naar artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 november 2005 ongegrond verklaard. In deze uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het College als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"De kosten van energie zijn voorzienbaar en behoren tot de voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten eiser in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, bijvoorbeeld door bij het energiebedrijf om een hoger voorschotbedrag te vragen. De enkele omstandigheid dat de energiebelasting hoger is geworden en eiser slechts een gedeelte van de gehele eindafrekening werkelijk aan energiekosten betaalt, vormen naar het oordeel van de rechtbank niet zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder gehouden was bijzondere bijstand te verstrekken."

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft een alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB alsmede de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hieraan toe dat het enkele feit dat aan appellant langdurig bijstand is verstrekt op zichzelf niet kan gelden als bijzondere omstandigheid. Voorts is ook de Raad van oordeel dat appellant bij Essent tijdig een verzoek om een betalingsregeling had kunnen indienen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.