Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BD6261
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BD6261
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 07/1639 WWB, 07/1641 WWB, 07/3243 WWB en 07/3244 WWB
Datum uitspraak: 30-06-2008
Wetsartikelen: artt. 34, 54 en 58 Wwb / 4:84 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten beschikken over een vermogen uit erfenis, waardoor zij over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Totdat de erfenis is uitbetaald, wordt de bijstand verleend onder overdracht van eventueel te ontvangen vermogen uit erfenis. De aanspraak op een erfdeel ontstaat op het tijdstip van overlijden van de erflater, zodat vanaf dat tijdstip terugvordering plaatsvindt.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/1639 WWB, 07/1641 WWB, 07/3243 WWB en 07/3244 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante] en [appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk) (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 januari 2007, 06/3042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College).

Datum uitspraak: 30 juni 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. T. Peters, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Appellanten zijn vertegenwoordigd door mr. Peters. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Helmond.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 21 juni 2004 is de moeder van appellante overleden. Op 28 juli 2004 heeft appellante het College bericht dat zij in verband met dat overlijden een nalatenschap verwacht. Bij besluit 21 maart 2005 heeft het College aan appellante meegedeeld dat met ingang van 21 juni 2004 de bijstand wordt verleend onder overdracht van eventueel te ontvangen vermogen uit erfenis. Op 11 oktober 2005 is de nalatenschap aan appellante uitbetaald tot een bedrag van € 117.270,21.

Hierin heeft het College aanleiding gevonden om bij besluit van 26 oktober 2005 de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2005 in te trekken op de grond dat appellanten sedert die datum beschikken over een vermogen, waardoor zij over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Voorts heeft het College bij dat besluit de over de periode van 21 juni 2004 tot en met 30 september 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.399,10 van appellanten teruggevorderd.

Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2006.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit van 15 mei 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat het recht op uitkering met ingang van 1 oktober 2005 beëindigd wordt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet per 1 oktober 2005 maar eerst vanaf 11 oktober 2005 daadwerkelijk kon worden beschikt over de nalatenschap. Voor het overige heeft de rechtbank het besluit van 15 mei 2006 in stand gelaten.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover is bepaald dat het bestreden besluit in stand is gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die bijstand heeft verleend de kosten van bijstand kan terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie onder meer zijn uitspraak van 6 juni 2006, LJN AX9156) is deze bepaling de terugvorderingsgrond in gevallen waarin bijstand is verleend ter overbrugging van een periode waarin aanspraken op bepaalde middelen aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt en de betrokkene nadien wel over die middelen kan beschikken.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad ontstaat de aanspraak op een erfdeel op het tijdstip van overlijden van de erflater, in dit geval op 21 juni 2004. Dat op dat moment nog niet duidelijk was hoe hoog die aanspraak van appellante was en dat een executeur testamentair was benoemd als gevolg waarvan appellante destijds beschikkingsonbevoegd was ten aanzien van de nalatenschap, maakt dat niet anders. Het College was dan ook bevoegd om tot terugvordering van de kosten van bijstand over genoemde periode over te gaan.

De Raad stelt voorts vast dat het College heeft beslist in overeenstemming met zijn, niet onredelijk te achten beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van dat beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.E. Broekman.