Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BF0097
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BF0097
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/136 WWB
Datum uitspraak: 02-09-2008
Wetsartikelen: artt. 9 en 18 Wwb / 8:72 Awb
Essentie: Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende zes maanden omdat betrokkene, door de afspraak met het re-integratiebedrijf af te zeggen, niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door appellant geboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, als gevolg waarvan die voorziening voortijdig is beëindigd. Gelet op de voorgeschiedenis heeft appellant de maatregel vastgesteld met toepassing van de afstemmingsbepaling neergelegd in de gemeentelijke Maatregelenverordening. In geding is de vraag of de verzwaring van de maatregel in overeenstemming is met de ernst van de gedraging.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/136 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2006, 06/1655 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 2 september 2008.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Wolfert-Brouwer, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. van Gent, werkzaam bij de gemeente Schiedam. Betrokkene is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene ontvangt sedert 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hem zijn bij herhaling maatregelen opgelegd wegens het niet nakomen van daaraan verbonden verplichtingen.

1.2. Op 19 juli 2005 heeft betrokkene zich in een gesprek met de klantmanager in staat verklaard om, ondanks een knieblessure, een intakegesprek te gaan voeren bij het re integratiebedrijf Workstar. Voor hem is een afspraak bij dat bedrijf gemaakt op 18 augustus 2005. Op 17 augustus 2005 heeft hij deze afspraak echter telefonisch afgezegd. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn knieblessure hem verhinderde op het gesprek te verschijnen. Vanwege deze afzegging heeft Workstar, mede gezien de eerdere ervaringen met betrokkene, de begeleiding met onmiddellijke ingang beëindigd.

1.3. Bij besluit van 19 september 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 13 maart 2006, heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 18 augustus 2005 voor een periode van zes maanden met 100% verlaagd. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene, door de afspraak met Workstar af te zeggen, niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door appellant geboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, als gevolg waarvan die voorziening voortijdig is beëindigd. Gelet op de voorgeschiedenis heeft appellant de maatregel vastgesteld met toepassing van de afstemmingsbepaling neergelegd in artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening Nieuwe Waterweg Noord 2004 (hierna: Maatregelenverordening).

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 13 maart 2006 vernietigd, de bijstand van betrokkene voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens zijn bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank was van oordeel dat betrokkene zich zonder geldige reden voor het intakegesprek heeft afgemeld en dat hem valt te verwijten dat de bij Workstar aangeboden voorziening om die reden voortijdig is beëindigd, zodat appellant terecht aan betrokkene een maatregel heeft opgelegd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de in artikel 9 van de Maatregelenverordening voorgeschreven hoogte en duur van de maatregelen in beginsel als maxima gelden, die naar aanleiding van de omstandigheden bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening wel kunnen worden verlaagd maar in beginsel niet kunnen worden verhoogd.

2. Betrokkene heeft tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

3. Appellant komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank dat de standaardmaatregelen in beginsel niet op grond van artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening kunnen worden verhoogd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In zijn uitspraak van 20 december 2006 (LJN AZ5456) heeft de Raad - in een geschil tussen partijen naar aanleiding van de vorige aan betrokkene opgelegde maatregel - geoordeeld dat zowel uit de tekst van als uit de toelichting op artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening volgt dat met toepassing van dit artikellid afwijking van de standaardmaatregelen van artikel 9 van de Maatregelenverordening mogelijk is en dat, teneinde te kunnen voldoen aan het in artikel 2, tweede lid, neergelegde afstemmingsvereiste, de voorgeschreven standaardmaatregelen zowel kunnen worden verzwaard als gematigd. De Raad volstaat verder met verwijzing naar deze uitspraak en ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen.

4.2. Het hoger beroep is dus gegrond.

4.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellant toepassing gevende aan de meergenoemde afstemmingsbepaling op goede gronden heeft besloten om af te wijken van de standaardmaatregel van verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand en in plaats daarvan de bijstand heeft verlaagd met 100% gedurende zes maanden.

4.4. Niet in geschil is, dat de thans aan de orde zijnde gedraging de zesde is in een reeks van vergelijkbare tekortkomingen. Ondanks de eerder opgelegde maatregelen is betrokkene blijven volharden in zijn negatieve houding ten aanzien van de daadwerkelijke inschakeling in het arbeidsproces. Dit klemt temeer nu betrokkene reeds langdurig sedert 1996 bijstand ontvangt en van hem om die reden te meer inspanning mag worden verlangd om zelf in zijn levensonderhoud te gaan voorzien.

4.5. Bij zijn uitspraak van 20 december 2006 heeft de Raad de wegens de vorige beëindiging van een re-integratietraject aan betrokkene opgelegde maatregel van verlaging van de bijstand met 100% gedurende vier maanden teruggebracht tot een verlaging met 100% gedurende twee maanden. Nu ook die maatregel niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, heeft appellant terecht wederom besloten tot een maatregel die zwaarder is dan de in artikel 9 van de Maatregelenverordening voorziene standaardmaatregel en is een maatregel van meer dan twee maanden op zijn plaats. Een verzwaring van de standaardmaatregel van één maand tot zes maanden acht de Raad echter niet in overeenstemming met de ernst van de gedraging, de mate waarin deze aan betrokkene kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening gelezen in verbinding met artikel 18, eerste en tweede lid, van de WWB. De uit de gedingstukken blijkende gegevens met betrekking tot de gedragingen van betrokkene zijn onvoldoende zwaarwegend om een maatregel van die omvang te rechtvaardigen. Een maatregel bestaande in een verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende vier maanden voldoet naar het oordeel van de Raad gezien de aanwezige gegevens wel aan het in artikel 2, tweede lid, neergelegde afstemmingsvereiste.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd wat de daarbij vastgestelde maatregel betreft. In plaats daarvan zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepalen dat een maatregel wordt opgelegd van 100% gedurende vier maanden.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat aan betrokkene een maatregel wordt opgelegd voor de periode van 18 augustus 2005 tot 18 oktober 2005 van 100% van zijn uitkering op grond van de WWB;
Bepaalt dat aan betrokkene een maatregel wordt opgelegd van verlaging van de bijstand met 100% gedurende vier maanden, ingaande 18 augustus 2005;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Schiedam aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 september 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.