Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BF4560
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BF4560
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/2673 WWB
Datum uitspraak: 23-09-2008
Wetsartikelen: artt. 54, 58, 59 en 78f Wwb / 20 en 40 Bbz 2004 / 4:84 Awb
Essentie: Terugvordering leenbijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal omdat de lening wegens het faillissement van appellants ex-echtgenote geheel opeisbaar is geworden en appellant de uit deze lening voortvloeiende aflossingsverplichtingen, ondanks diverse verzoeken daartoe, niet is nagekomen. Ingevolge artikel 59, derde lid, van de Wwb geldt dat appellant en zijn ex-echtgenote hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de geldlening.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/2673 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 maart 2007, 05/1091 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College).

Datum uitspraak: 23 september 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door R.W. Koelmans als woordvoerder. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.K. de Vries, werkzaam bij de gemeente Groningen.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 6 februari 2002 is aan appellant en [ex-echtgenote], met wie appellant destijds was gehuwd, op beider aanvraag en na het ondertekenen van een schuldbekentenis door beiden bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) toegekend in de vorm van een geldlening. In de akte van schuldbekentenis is onder meer opgenomen dat (het resterende gedeelte van) de schuld geheel opvorderbaar zal zijn zonder ingebrekestelling indien de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard of hem surséance van betaling is verleend. Als zekerheid voor de terugbetaling van de schuld hebben appellant en [ex-echtgenote] aan het College recht van tweede hypotheek verleend op het bedrijfspand en hun woonhuis. Op 7 januari 2003 heeft het College aan [ex-echtgenote] meegedeeld dat akkoord wordt gegaan met haar verzoek tot doorhaling van de door het College gevestigde tweede hypotheek. Bij vonnis van 17 maart 2003 is [ex-echtgenote] in staat van faillissement verklaard. Bij besluit van 17 juni 2003 heeft het College van appellant een bedrag van € 26.511,56 ingevorderd. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 13 januari 2004 ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 5 januari 2005 gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het College eerst een terugvorderingsbesluit dient te nemen alvorens tot invordering over te kunnen gaan.

1.2. Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) een bedrag van € 26.511,56 van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de lening wegens het faillissement van [ex-echtgenote] geheel opeisbaar is geworden en dat appellant de uit deze lening voortvloeiende aflossingsverplichtingen, ondanks diverse verzoeken daartoe, niet is nagekomen.

1.3. Bij besluit van 1 augustus 2005 heeft het College het tegen het besluit van 8 maart 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit is artikel 20 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 1 augustus 2005 ingestelde beroep - met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, het besluit van 1 augustus 2005 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat artikel 40 van het Bbz 2004 de juiste wettelijke terugvorderingsgrond is.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 1 augustus 2005 in stand zijn gelaten. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat het College lichtvaardig afstand heeft gedaan van het zakelijk recht van (tweede) hypotheek, waardoor appellant ernstig in zijn belangen is geschaad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het College, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, zijn bevoegdheid tot terugvordering ontleent aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gelezen in verbinding met artikel 40 van het Bbz 2004. Daarbij geldt ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB dat appellant en [ex-echtgenote] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de geldlening.

4.2. De Raad stelt voorts met de rechtbank vast dat appellant de opgelegde rente- en aflossingsverplichtingen niet is nagekomen en dat hij ter zake ook na aanmaningen in gebreke is gebleven, zodat het College bevoegd was tot terugvordering over te gaan. Het College hanteert de beleidsregel dat kosten van leenbijstand geheel worden teruggevorderd wanneer de uit geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen, tenzij de (rest)vordering een bedrag van € 250,-- niet te boven gaat of sprake is van een dringende reden. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met deze, door de Raad niet onredelijk geachte, beleidsregel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van de beleidsregel had moeten afwijken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de stelling van appellant dat het College (te) lichtvaardig akkoord is gegaan met de doorhaling van de tweede hypotheek op het voormalige bedrijfspand van [ex-echtgenote] niet kan worden gevolgd. Uit de gedingstukken blijkt immers afdoende dat bij verkoop van dat pand, ook voor de door appellant bepleite geldsom, reeds de eerste hypotheekhouder niet volledig kon worden voldaan.

4.3. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

4.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 september 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Badermann.