Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BF7593
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BF7593
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/2230 WWB
Datum uitspraak: 08-10-2008
Wetsartikelen: artt. 9 en 18 Wwb
Essentie: Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand wegens ernstige belemmering van de re-integratie. Appellant heeft zich bij het kennismakingsgesprek bij de werkgever dusdanig negatief gedragen en ongemotiveerd opgesteld dat hij niet is aangenomen. Ook heeft hij geweigerd om op eigen kosten een mobiele telefoon aan te schaffen ten behoeve van telefonische bereikbaarheid voor het uitzendbureau.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/2230 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2007, 06/4251 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College).

Datum uitspraak: 8 oktober 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.J. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 augustus 2008, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Voor een overzicht van in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en van toepassing zijnde regels verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant ontving sedert 24 augustus 2005 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Ten behoeve van zijn re-integratie naar werk zijn vanaf 29 september 2005 diverse trajecten ingezet te weten een traject bij Randstad Rentree, een MFT-traject bij Pluspunt en een werkgelegenheidstraject bij het CWI.

1.3. Bij besluit van 6 juli 2006 heeft het College de bijstand met ingang van 1 juli 2005 voor de duur van één maand met 100 procent verlaagd op de grond dat appellant zijn re-integratie ernstig heeft belemmerd. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 6, eerste lid, onder b, van de Afstemmings- en Fraudeverordening WWB-2005 (hierna: Afstemmingsverordening).

1.4. Bij besluit van 19 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 september 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant zijn re-integratie heeft belemmerd.

4.2. De Raad acht met name van belang het Rapport Wet Werk en Bijstand - overig Onderzoek WWB van 5 juli 2006. Blijkens dit rapport is appellant op 12 juni 2006 via het CWI doorgeleid naar een uitzendbureau voor een baan als productiemedewerker. Appellant heeft zich bij het kennismakingsgesprek dusdanig negatief gedragen en ongemotiveerd opgesteld dat hij niet is aangenomen. Appellant kon voorts op 14 juni 2006 wederom via het uitzendbureau in aanmerking komen voor een baan, mits hij telefonisch (mobiel) bereikbaar zou zijn voor het uitzendbureau. Vanwege de weigering van appellant om op eigen kosten een mobiele telefoon aan te schaffen is dit baanaanbod echter op niets uitgelopen. De Raad heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van voornoemde rapportage en neemt de daarin genoemde gedragingen van appellant als vaststaand aan. Met deze gedragingen heeft appellant naar het oordeel van de Raad onmiskenbaar zijn re-integratie naar werk belemmerd.

4.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De Raad overweegt daarbij dat van appellant, in het kader van zijn re-integratie, redelijkerwijs gevergd kan worden telefonisch bereikbaar te zijn voor uitzendbureaus. De eventueel daaraan verbonden kosten zijn overigens naar het oordeel van de Raad aan te merken als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die in de bijstandsnorm zijn begrepen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat appellant niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem rustende plicht tot arbeidsinschakeling.

4.5. Van de onder 4.2 genoemde gedragingen van appellant kan niet worden gezegd dat daarbij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van appellant, gelet op zijn voorgeschiedenis, de duur van zijn werkloosheid en de ten behoeve van hem verrichte re-integratie-inspanningen, mocht worden verlangd dat hij zich constructief zou opstellen ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces en dat hij zorgvuldig diende om te springen met de hem in dat verband geboden kansen. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB was gehouden de bijstand van appellant te verlagen.

4.6. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat het College de onderhavige gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als verwijtbare zware gedragingen die re-integratie belemmeren, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de toelichting op deze bepaling blijkt dat de regelgever spreekt van lichte en zware gedragingen al naargelang de betreffende gedraging in meer of mindere mate directe gevolgen heeft voor het voortduren van de bijstand.

4.7. De Raad stelt voorts vast dat de opgelegde verlaging in overeenstemming is met de betreffende bepaling uit de Afstemmingsverordening. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat de ernst van de gedragingen, de mate waarin appellant de gedragingen kunnen worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert het College aanleiding hadden dienen te geven om de vastgestelde verlaging te matigen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Afstemmingsverordening op grond waarvan van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien.

4.8. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M. Pijper.