Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BH2321
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BH2321
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 07/2046 WWB en 07/2760 WWB
Datum uitspraak: 20-01-2009
Wetsartikelen: artt. 11, 17, 54 en 58 Wwb / 4:84 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat betrokkene niet verbleef op het door hem opgegeven woonadres. Er is voldoende feitelijke grondslag dat betrokkene op een ander adres woonachtig was dan hij heeft opgegeven. Niet over de gehele periode in geding was niet vast te stellen of betrokkene recht had op bijstand.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/2046 WWB en 07/2760 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2007, 06/1314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het College.

Datum uitspraak: 20 januari 2009.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft aan de Raad een nader besluit van 8 mei 2007 doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft aan partijen verzocht nadere gegevens te verstrekken.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Elk van beide partijen heeft gereageerd op de door de andere partij ingezonden nadere stukken.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [naam pensionbeheerder] (hierna: [naam pensionbeheerder]) was ten tijde hier van belang beheerder van een pension dat is gevestigd aan de [adres A] te [vestigingsplaats]. In totaal heeft hij vier panden die dienst doen als pension, waaronder het pand aan [adres A] en het aan de overzijde van de straat gelegen pand aan [adres B]. Betrokkene is in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [naam gemeente] van 11 augustus 1998 tot 7 december 2004 op het adres [adres A] ingeschreven geweest.

1.2. Betrokkene heeft op 18 augustus 1998 een aanvraag om een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Hij heeft daarbij opgegeven dat hij woonachtig is op [adres A] in een pension. In het kader van het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag heeft op 22 september 1998 een huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 18 augustus 1998, 17 september 1998 en 23 september 1998. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 1 oktober 1998 betrokkene met ingang van 11 augustus 1998 bijstand toegekend berekend naar de norm voor een alleenstaande en met een toeslag van 10% omdat betrokkene niet alleen in de woning woont. De bijstand is met ingang van 31 oktober 2001 beëindigd.

1.3. Naar aanleiding van een omstreeks 29 juli 2004 binnengekomen melding dat op het adres [adres A] te [vestigingsplaats] meer mensen ingeschreven staan dan er daadwerkelijk konden verblijven en dat vele van hen een uitkering hadden, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente [naam gemeente] een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. In dat kader zijn [naam pensionbeheerder] op 19 en 20 april 2005 en betrokkene op 27 april 2005 verhoord. Vervolgens is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan en is gebruik gemaakt van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 24 mei 2005. De onderzoeksresultaten waren voor appellant aanleiding om bij besluit van 15 juni 2005 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 1999 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van de aan betrokkene over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 oktober 2001 verleende bijstand tot een bedrag van € 26.118,32 van hem terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene gedurende deze periode niet verbleef op het door hem bij appellant opgegeven woonadres.

1.4. Bij besluit van 14 februari 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2005 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen binnen zes weken nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 14 februari 2006 in hoofdzaak steunt op de verklaring die [naam pensionbeheerder] op 20 april 2005 heeft afgelegd, dat aan de betrouwbaarheid daarvan ernstig kan worden getwijfeld en dat gelet daarop onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Appellant heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 8 mei 2007 de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 15 juni 2005 gegrond verklaard, dat besluit herroepen, afgezien van terugvordering en het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar toegewezen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt uitbetaald. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de betrokkene verkeert in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

5.2. Gemachtigde van appellant heeft ter zitting verklaard dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, het besluit van 14 februari 2006 niet in hoofdzaak steunt op de verklaringen van [naam pensionbeheerder], maar op de verklaringen van betrokkene. Betrokkene heeft consequent verklaard onder meer in zijn verklaring van 27 april 2005 dat hij gedurende een periode van anderhalf jaar sedert augustus 1998 een kamer heeft gehuurd in pension [naam pensionbeheerder], dat hij gedurende die periode bij dat pension op het adres [adres A] ingeschreven heeft gestaan maar feitelijk woonachtig was in een kamer van een dependance van het pension aan de overkant van de straat op [adres B] en dat hij daarna elders heeft gewoond. De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. De Raad merkt in dit verband nog op dat uit het verslag van het huisbezoek van 22 september 1998 niet blijkt dat appellant op dat moment niet op [adres B] maar op [adres A] woonachtig was. In dat verslag wordt immers slechts geconstateerd dat betrokkene beschikt over een kamer in [naam pension] aan de [straatnaam], dat betrokkene daar woont en slaapt en dat zich daar al zijn persoonlijke spullen bevinden, maar er wordt niet uitdrukkelijk vermeld of het huisbezoek heeft plaatsgevonden op [adres A] of op [adres B].

5.3. Uitgaande van de verklaringen van betrokkene is de Raad van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene gedurende de gehele hier te beoordelen periode van 1 januari 1999 tot en met 31 oktober 2001 woonachtig was op een ander adres dan hij aan appellant heeft opgegeven. Daarmee heeft betrokkene de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Daaraan staat niet in de weg dat zowel het pand aan [adres A] als dat op [adres B] door [naam pensionbeheerder] werden geëxploiteerd en betrokkene bij zijn aanvraag heeft vermeld in een pension te wonen. De vraag waar iemand woont, dient naar vaste rechtspraak van de Raad immers te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De informatie die betrokkene over zijn feitelijke woonsituatie heeft verstrekt was onjuist en onvolledig.

5.4. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat die schending niet tot gevolg heeft gehad dat niet kan worden vastgesteld dat betrokkene gedurende de gehele hier te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Uitgaande van de verklaringen van betrokkene moet immers worden aangenomen dat appellant een deel van die periode, te weten van 1 januari 1999 tot 18 februari 2000, feitelijk woonachtig was in een kamer van pension [naam pensionbeheerder] op [adres B] en de Raad ziet niet in dat gedurende die periode het recht van appellant niet kan worden vastgesteld. Het voorgaande betekent dat er onvoldoende grondslag bestaat voor intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot 18 februari 2000.

5.5. Ten aanzien van de hier te beoordelen periode vanaf 18 februari 2000 is de Raad van oordeel dat de schending van de inlichtingenverplichting wel tot gevolg heeft gehad dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat concrete en verifieerbare gegevens over de woonplaats van betrokkene gedurende dat tijdvak ontbreken. Dat betekent dat appellant op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd was de bijstand van betrokkene over de periode van 18 februari 2000 tot en met 31 oktober 2001 in te trekken. De Raad stelt vast dat intrekking van de bijstand over die periode in overeenstemming is met het door de Raad niet onredelijk geachte beleid inzake intrekking. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met (overeenkomstige) toepassing van 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het beleid had moeten afwijken.

5.6. Nu het besluit tot intrekking niet geheel in stand kan blijven, is daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen. Een besluit tot terugvordering moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit uitmondt in één, daarin te vermelden bedrag aan teruggevorderde bijstand.

5.7. Gelet op hetgeen onder 5.1. tot en met 5.6 is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd met uitzondering van de beslissingen die zijn gegeven inzake griffierecht en proceskosten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met gegrond verklaring van het beroep het besluit van 14 februari 2006 vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot 18 februari 2000 en op de terugvordering.

5.8. De Raad zal appellant opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor zover het de terugvordering van de kosten van bijstand betreft. Met het oog op de nadere besluitvorming overweegt de Raad dat hetgeen in 5.5 is overwogen meebrengt dat appellant op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van de over de periode van 18 februari 2000 tot en met 31 oktober 2001 aan betrokkene verleende bijstand van hem terug te vorderen. Voorts zal appellant een beslissing dienen te nemen op het verzoek van betrokkene om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

6. Nu de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, komt ook het ter uitvoering daarvan genomen besluit van 8 mei 2007 voor vernietiging in aanmerking.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent griffierecht en proceskosten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 14 februari 2006 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot 18 februari 2000 en op de terugvordering;
Bepaalt dat appellant ter zake van de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Vernietigt het besluit van 8 mei 2007.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A. Badermann.