Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BH5797
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BH5797
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/958 WWB
Datum uitspraak: 03-03-2009
Wetsartikelen: artt. 31 Wwb / 4:6 Awb
Essentie: Weigering om terug te komen van eerder genomen, rechtens onaantastbaar geworden besluiten, omdat nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artijkel 4:6 van de Awb niet zijn komen vast te staan en evenmin sprake is van evidente onjuistheden. Appellant heeft verzocht om over de perioden in 1998, 1999 en 2000, waarin hij inkomsten lager dan de voor hem geldende bijstandsnorm heeft verworven, alsnog de inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 43 van de Abw toe te passen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/958 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 januari 200l, 07/1476 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer (hierna: College).

Datum uitspraak: 3 maart 2009.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 30 september 1997 bijstand. Bij besluit van 11 maart 1999 is de bijstand van appellant over de periode van 7 september 1998 tot en met 31 december 1998 herzien en is van appellant een bedrag van fl 5.035,18 teruggevorderd. Het College heeft hierbij overwogen dat appellant in de genoemde periode werkzaamheden heeft verricht die hij niet heeft gemeld. Vervolgens heeft appellant vanaf 29 oktober 1999 wederom bijstand ontvangen. Vanaf oktober 1999 heeft appellant - weer - inkomsten uit arbeid ontvangen, welke inkomsten het College op de bijstand in mindering heeft gebracht.

1.2. Bij besluit van 8 april 2004 heeft het College afwijzend beslist op het verzoek van appellant om over de perioden in 1998, 1999 en 2000, waarin hij inkomsten lager dan de voor hem geldende bijstandsnorm heeft verworven, alsnog de inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 43 van de Algemene bijstandswet (Abw) toe te passen.

1.3. Bij besluit van - uiteindelijk - 27 maart 2007 heeft het College het tegen het besluit van 8 april 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwogen dat nieuw gebleken feiten of omstandigheden zoals bedoeld in deze bepaling niet zijn komen vast te staan en dat evenmin sprake is van evidente onjuistheden. Het College is op grond hiervan van oordeel dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van eerdere besluiten van het College die betrekking hebben op de in de jaren 1998, 1999 en 2000 verleende bijstand waarbij geen rekening is gehouden met de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 43 van de Abw.

2. De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 27 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de besluiten betreffende de bijstandverlening over de jaren 1998, 1999 en 2000 rechtens onaantastbaar zijn geworden.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Worden geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden vermeld dan kan het bestuursorgaan het verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb zonder nader onderzoek afwijzen.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. De Raad volstaat kortheidshalve met een verwijzing op dit punt naar hetgeen de rechtbank in de thans aangevallen uitspraak heeft overwogen. De Raad kan zich hiermee geheel verenigen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, op medische gronden niet fulltime heeft kunnen werken is geen nieuw gebleken feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Appellant heeft vermeld dat hij hiermee reeds in 1997 bekend was. Appellant had dan ook gebruik moeten maken van de toen openstaande bezwaar- en beroepsmogelijkheden. Dat hij daarvan heeft afgezien omdat hij niet bekend was met de regeling inzake inkomstenvrijlating dan wel niet wist dat hij tegen bepaalde besluiten of uitvoeringshandelingen van het College rechtsmiddelen kon aanwenden, maakt niet dat thans sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid in vorenstaande zin. Gebrek aan wetenschap inzake de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen kan niet als een zodanig feit of omstandigheid worden aangemerkt. Een verklaring van zijn huisarts uit 2003 met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant, een brief van het UWV/GAK dat appellant per 27 november 2002 arbeidsongeschikt wordt geacht en een aanmelding van appellant als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA houden alle verband met de stelling van appellant dat hij in de hier aan de orde zijnde jaren niet fulltime kon werken en kunnen daarom evenmin worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2009.

(get.) Van Sloten.

(get.) De Blaeij.