Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BI1715
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BI1715
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/494 WWB
Datum uitspraak: 21-04-2009
Wetsartikelen: artt. 9 en 18 Wwb / 3:2, 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering gedurende één maand omdat appellant niet voldoende heeft getracht zijn werk te behouden. De Raad is van oordeel dat het college, door bij de vaststelling van de toedracht van het incident uitsluitend af te gaan op door de uitlener verstrekte summiere informatie en na betwisting daarvan door appellant geen nadere informatie in te winnen bij de betreffende teamleider van de inlener, in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/494 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2007, 05/5912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 7 april 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D.P. van der Veer, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veer, voornoemd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 april 2005 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarnaast is appellant, via [naam uitlener] (hierna: [uitlener]), werkzaam geweest bij [naam inlener] op basis van een uitzendovereenkomst. De ontvangen (wisselende) inkomsten daaruit zijn in mindering gebracht op de bijstandsuitkering.

1.2. Op 30 juni 2005 heeft zich een incident voorgedaan op de werkvloer, waarna appellant door de teamleider van [naam inlener] naar huis is gestuurd. Als gevolg daarvan heeft [uitlener] de uitzendovereenkomst met appellant beëindigd.

1.3. Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het College de bijstand per 1 augustus 2005 met 100% verlaagd voor de duur van een maand, op de grond dat appellant niet voldoende heeft getracht zijn werk te behouden. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2005 (hierna: Afstemmingsverordening).

1.4. Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 27 juni 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant door de hem te verwijten gedraging zeer ernstig is tekortgeschoten in het betonen van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant in hoofdzaak aangevoerd dat hij zich niet onjuist heeft gedragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB (voor zover hier van belang) verlaagt het College overeenkomstig de verordening de bijstand indien de belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan of de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening wordt de bijstand eenmalig met € 200,-- verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het College ernstig is tekortgeschoten in het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

4.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening wordt de bijstand gedurende één maand met 100% verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het College zeer ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is van een zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in het vorige lid met name sprake als vaststaat of redelijkerwijs is aan te nemen dat het beroep door de belanghebbende op algemene bijstand gedurende meer dan één maand het gevolg is van diens doen of nalaten.

4.4. De Raad zal eerst bezien of appellant ernstig is tekortgeschoten in het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening.

4.5. Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In onderhavig geschil gaat het om een voor appellant belastend besluit. Dat betekent dat op het College de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot het nemen van de maatregel over te gaan. Meer concreet brengt dit in dit geval met zich dat het aan het College is om aannemelijk te maken dat appellant door zijn gedraging(en) op 30 juni 2005 ernstig is tekortgeschoten in het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De Raad is van oordeel dat het College daarin niet is geslaagd.

4.6. De Raad stelt vast dat het College zich bij de vaststelling van hetgeen is voorgevallen tijdens het incident op 30 juni 2005 heeft gebaseerd op schriftelijke informatie van 18 juli 2005 en 29 mei 2006 van uitlener [uitzendbu[uitlener]. In deze - als summier te kwalificeren - informatie is vermeld dat sprake was van een uit de hand gelopen conflict op de werkvloer, dat appellant een woordenwisseling had met een collega en de teamleider en dat appellant zich hierbij volgens de teamleider agressief en bedreigend heeft opgesteld als gevolg waarvan hij niet meer welkom was bij [naam inlener]. De Raad stelt evenwel tevens vast dat appellant van meet af aan een andere lezing heeft gegeven van het incident op 30 juni 2005, en daarbij de door [uitlener] verstrekte informatie heeft weersproken dan wel genuanceerd, in die zin dat hij enkel een door hem geconstateerd probleem in het productieproces aan de orde heeft willen stellen. De Raad is van oordeel dat het College, door bij de vaststelling van de toedracht van het incident uitsluitend af te gaan op door de uitlener [uitlener] verstrekte (summiere) informatie en na betwisting daarvan door appellant geen nadere informatie in te winnen bij (de betreffende teamleider van de) inlener [naam inlener], in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het besluit van 27 juni 2006 wegens strijd met de artikelen 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

4.8. Het College zal, met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen. Het College zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre het aangewezen is om schade te vergoeden.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2006 gegrond;
Vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.