Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BJ9548
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9548
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 08/664 WWB en 08/3674 WWB
Datum uitspraak: 22-09-2009
Wetsartikelen: artt. 11, 17, 32, 34, 53a en 54 Wwb / 8:72 Awb / 8 EVRM
Essentie: Intrekking bijstanduitkering omdat betrokkene beschikt over een onbekende bron van middelen, bestaande uit spaargeld en inkomsten, waarvan hij nooit melding heeft gemaakt. Niet aangetoond is dat betrokkene toestemming tot binnentreding van zijn woning heeft gegeven op basis van "informed consent". Derhalve is sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van betrokkene en dienen de tijdens het huisbezoek geconstateerde feiten en omstandigheden te worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, dat buiten beschouwing moet worden gelaten. De Beroepswet noch de Awb kennen het rechtsmiddel van incidenteel appel. Nu de grieven van betrokkene het in hoger beroep aan de orde zijnde onderwerp van geschil te buiten gaan, moeten deze buiten bespreking blijven.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/664 WWB en 08/3674 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 december 2007, 07/2609 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 22 september 2009.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.E.F. Bergwerf Bok, advocaat te Arnhem, op 18 maart 2008 een verweerschrift ingediend met als opschrift "verweerschrift WWB tevens Incidenteel Beroepschrift".

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2009. Appellant heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bergwerf Bok.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 3 januari 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat betrokkene vanaf 12 september 2006 een [merk auto] met een geschatte waarde tussen € 6.000,-- en € 7.000,-- op zijn naam heeft staan, heeft het Buro Handhaving van de Afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bestond onder meer uit een onderhoud met betrokkene op het kantoor van de Afdeling Zorg en Inkomen op 26 september 2006 en aansluitend een huisbezoek, waarbij onder meer wiet, een droogrek en een afzuiginstallatie voor het drogen van wiet zijn aangetroffen. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 oktober 2006. Op basis van deze bevindingen heeft appellant de betaling van bijstand met ingang van 1 september 2006 geblokkeerd. Bij besluit van 11 april 2007 - voor zover hier van belang - heeft appellant de bijstand van betrokkene over de periode van 1 september 2006 tot en met 11 april 2007 ingetrokken. Bij besluit van 21 mei 2007 - voor zover hier van belang - heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 11 april 2007 ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene beschikt over een onbekende bron van middelen, bestaande uit spaargeld en inkomsten, waarvan hij nooit melding heeft gemaakt.

1.3. Aan betrokkene is met ingang van 7 mei 2007 opnieuw algemene bijstand toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 mei 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover het betreft de periode van 1 september 2006 tot 28 september 2006. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat hetgeen tijdens het huisbezoek is geconstateerd over mogelijke inkomsten van betrokkene buiten beschouwing dient te blijven omdat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek en dat huisbezoek is uitgevoerd zonder dat sprake was van “informed consent”, terwijl er geen andere bewijs voorhanden is voor de door appellant gestelde schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene in de periode van 28 september 2006 tot 11 april 2007. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, behoudens voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 9 mei 2008 - voor zover hier van belang - het bezwaar van betrokkene tegen het besluit 11 april 2007 opnieuw ongegrond verklaard.

4. Voor wat betreft het incidenteel appel van betrokkene overweegt de Raad als volgt.

4.1. In het verweerschrift en ter zitting van de Raad zijn namens betrokkene grieven aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak, betrekking hebbend op het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 21 mei 2007 met betrekking tot de periode van 1 tot 28 september 2006. Betrokkene heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen. De Raad stelt vast dat betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep van appellant richt zich niet tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. De Beroepswet noch de Algemene wet bestuursrecht kennen het rechtsmiddel van incidenteel appel. Nu de grieven van betrokkene het in hoger beroep aan de orde zijnde onderwerp van geschil te buiten gaan moeten deze buiten bespreking blijven.

5. Voor wat betreft het hoger beroep van appellant komt de Raad tot de volgende beoordeling.

5.1.1. Artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

Indien de belanghebbende deze inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden ingetrokken.

5.1.2. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, zie de uitspraak van 30 september 2008, LJN BF5166, valt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de op de woning betrekking hebbende persoonlijke levenssfeer (het huisrecht) af te leiden dat eerst van een inbreuk op het huisrecht sprake is wanneer wordt binnengetreden tegen de wil van degene die zich op dat recht beroept. Van een inbreuk op het huisrecht is derhalve geen sprake wanneer de rechthebbende toestemming voor binnentreden heeft gegeven. De toestemming moet op basis van vrijwilligheid worden verleend, waarbij heeft te gelden dat er sprake moet zijn van een “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende gebaseerd moet zijn op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. Voor een geval waar voorafgaand aan het huisbezoek geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene voor de vaststelling van het recht op bijstand verstrekte gegevens, moet hem duidelijk zijn gemaakt dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zal blijven voor de verlening van de bijstand.

5.1.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in het geval van betrokkene geen redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van het huisbezoek op 26 september 2006. Uit de gedingstukken blijkt dat de aanleiding voor dit huisbezoek erin was gelegen dat een 22-jarige dochter bij betrokkene inwoont, dat op 29 oktober 2004 een zoon van betrokkene is geboren, dat op de ingeleverde bankafschriften geen kasopnames zijn te zien, dat betrokkene lid was van een schietvereniging en dat sinds 12 september 2006 een auto van het merk [merk auto] op naam van betrokkene staat geregistreerd. De Raad is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden ontoereikend zijn om een huisbezoek te rechtvaardigen. De omstandigheid dat, zoals appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, op 15 november 2004 een anonieme telefonische melding is binnengekomen dat betrokkene mogelijk inkomsten uit "zwart" werk heeft, kan evenmin worden aangemerkt als een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 26 september 2006.

5.1.4. Appellant heeft niet het oordeel van de rechtbank bestreden dat niet is aangetoond dat betrokkene toestemming tot binnentreding heeft gegeven op basis van “informed consent”. Derhalve is sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van betrokkene en dienen de tijdens het huisbezoek geconstateerde feiten en omstandigheden te worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, dat buiten beschouwing moet worden gelaten.

5.1.5. Uit hetgeen is overwogen in 5.1.1 tot en met 5.1.4 volgt dat het hoger beroep van appellant dat gericht is op het oordeel van de rechtbank over het huisbezoek en dat de daarbij gebleken gegevens buiten beschouwing gelaten moeten worden, niet slaagt.

5.2.1. De Raad begrijpt het hoger beroep van appellant voorts aldus dat hij zich ook keert tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor in de periode van 28 september 2006 tot en met 11 april 2007 het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarvan uitgaande had, in de visie van appellant, de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 21 mei 2007 in zijn geheel in stand moeten laten.

5.2.2. De Raad onderschrijft dit standpunt van appellant. Uit de door betrokkene overgelegde bankafschriften over de periode van 19 juni 2006 tot en met 1 september 2006 blijkt dat betrokkene in die periode van zijn bankrekening geen geld heeft opgenomen en dat hij in die periode evenmin pinbetalingen heeft verricht. In deze periode heeft betrokkene derhalve niet, zoals hij stelt, overeenkomstig zijn gewoonte de uitkering van zijn bankrekening opgenomen om daarmee á contant betalingen te verrichten. Voorts heeft betrokkene op 26 september 2006 verklaard dat hij op 12 september 2006 de [merk auto] voor € 6.250,-- heeft gekocht en dat hij dit bedrag contant heeft betaald uit spaargeld. Tijdens dit gesprek heeft betrokkene, hoewel daarnaar gevraagd, niet aannemelijk gemaakt dat hij dit bedrag van zijn bijstandsuitkering heeft kunnen sparen. In de bezwaarprocedure is aangevoerd dat betrokkene ter financiering van de auto € 2.000,-- van zijn broer heeft geleend en het resterende bedrag door betrokkene is gespaard. De Raad is van oordeel dat betrokkene in gebreke is gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen hoe hij in voornoemde periode van bijna 2 ½ maand in de dagelijkse kosten van levensonderhoud heeft voorzien en tevens in staat is geweest het bedrag van € 6.250,-- dan wel, zoals aangevoerd in de bezwaarschriftprocedure € 4.000,--, te sparen. Daardoor heeft hij niet voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Door onvoldoende openheid van zaken te geven heeft betrokkene een zodanige onduidelijke situatie geschapen met betrekking tot zijn financiële positie dat daardoor niet is vast te stellen of er recht dan wel aanvullend recht op bijstand bestond. Gelet hierop was appellant bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 september 2006 tot en met 11 april 2007. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hierbij tekent de Raad aan dat betrokkene op 13 november 2006 en 30 januari 2007 zich heeft gemeld met het verzoek om hervatting van de bijstand en ook toen geen openheid van zaken heeft gegeven.

5.3. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant in zoverre slaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2007 slechts in stand blijven voor zover het betreft de periode van 1 tot 28 september 2006. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor vernietiging in aanmerking, behoudens voor zover de rechtbank beslissingen heeft gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Raad bepaalt, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 mei 2007 geheel in stand blijven. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak en de instandlating van de rechtsgevolgen van het besluit van 21 mei 2007 is tevens de grondslag komen te ontvallen aan het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit van 9 mei 2008. Dit betekent dat ook het besluit van 9 mei 2008 voor vernietiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aanvochten, behoudens voor zover daarbij beslissingen zijn gegeven inzake proceskosten en griffierecht;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2007 geheel in stand blijven;
Vernietigt het besluit van 9 mei 2008;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.