Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BK0166
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BK0166
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/448 WWB
Datum uitspraak: 22-09-2009
Wetsartikelen: artt. 17, 32, 54 en 58 Wwb / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Herziening, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit arbeid. De Raad is van oordeel dat niet is aangetoond dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten, aangezien de gegevens van de Belastingdienst en die van het UWV niet geheel met elkaar overeenstemmen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat deze verschillen nader zijn onderzocht. Ook heeft de gemachtigde van het college tijdens de behandeling ter zitting geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. Het had derhalve op de weg van het college gelegen een nader onderzoek in te stellen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/448 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2007, 06/2518 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 22 september 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkouwer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 15 januari 2001 tot en met 31 januari 2003 algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande, jonger dan 21 jaar. Voorts ontving appellant van 15 januari 2001 tot en met 14 juni 2003 periodieke bijzondere bijstand in aanvulling op de algemene bijstand.

1.2. Naar aanleiding van ontvangen loongegevens van de Belastingdienst heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is via de informatiebron Suwinet de verzekerdenadministratie van het UWV geraadpleegd. Op grond van de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 26 oktober 2005, heeft het College geconcludeerd dat appellant gedurende de periode van 1 april 2002 tot en met 3 oktober 2002 werkzaamheden heeft verricht voor [werkgever 1] en [werkgever 2] en daaruit inkomsten heeft genoten zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt. Het College heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 18 november 2005 de algemene bijstand van appellant over de periode van 1 april 2002 tot en met 31 oktober 2002 te herzien en de kosten van algemene bijstand over deze periode terug te vorderen tot een bedrag van € 1.038,69. Voorts heeft het College bij afzonderlijk besluit van 18 november 2005 de bijzondere bijstand van appellant over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2002 ingetrokken en de kosten van bijzondere bijstand over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 1.949,10.

1.3. Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het College de bezwaren tegen de beide besluiten van 18 november 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij over de periode hier in geding geen inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat de werkgevers [werkgever 1] en [werkgever 2] hem volledig onbekend zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de herziening en intrekking van een eerder toegekend recht op bijstand en dus om een voor appellant belastend besluit. Dit brengt met zich dat op het College de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening en intrekking van de bijstand over te gaan. Toegespitst op het onderhavige geschil, is het daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten.

4.2. In gevallen waarin het College van de Belastingdienst een signaal ontvangt over door een belanghebbende genoten inkomsten uit arbeid, heeft het College naar vaste rechtspraak in voldoende mate aan de onder 4.1 bedoelde onderzoeksplicht en bewijslast voldaan, indien de uit het onderzoek naar dat signaal van de werkgever en/of de verzekerdenadministratie (tot 1 januari 2006) van het UWV verkregen gegevens de informatie van de Belastingdienst bevestigen. Daarbij is wel vereist dat de uit beide bronnen verkregen gegevens op relevante onderdelen, waaronder het sofinummer van de betrokkene, de werkgever, de arbeidsverhouding en het loon van de betrokkene, met elkaar overeenstemmen.

4.3. Het College heeft zijn standpunt dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst en gegevens uit de verzekerdenadministratie van het UWV. Met appellant en anders dan de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat daarmee niet is aangetoond dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten, aangezien de gegevens van de Belastingdienst en de gegevens van het UWV niet geheel met elkaar overeenstemmen. Bij [werkgever 2] wordt bij de gegevens van de Belastingdienst uitgegaan van een gewerkte periode van 1 april 2002 tot en met 9 juni 2002 en een bruto loon van € 2.607,--, terwijl volgens de gegevens van het UWV er sprake is van een gewerkte periode van 1 april 2002 tot en met 2 juni 2002 en een bruto loon van € 2.476,--. Bij [werkgever 1] wordt bij de gegevens van de Belastingdienst uitgegaan van een gewerkte periode van 3 juni 2002 tot en met 29 september 2002 en een bruto loon van € 2.729,--, terwijl bij de gegevens van het UWV sprake is van een gewerkte periode van 3 juni 2002 tot en met 3 oktober 2002 en het loon onbekend is. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit de gedingstukken niet blijkt dat deze verschillen nader zijn onderzocht. Ook heeft de gemachtigde van het College tijdens de behandeling ter zitting geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. Het had derhalve op de weg van het College gelegen een nader onderzoek in te stellen.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het besluit van 12 mei 2006 een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet aanleiding om gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Nu beide primaire besluiten van 18 november 2005 berusten op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk gebleken, grondslag als het besluit van 12 mei 2006 en dat gebrek, mede gelet op het tijdsverloop, niet meer kan worden hersteld, zal de Raad deze besluiten herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 12 mei 2006;
Herroept de besluiten van 18 november 2005;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;
Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B.E. Giesen.