Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BK8581
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BK8581
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/7183 WWB
Datum uitspraak: 29-12-2009
Wetsartikelen: artt. 17 en 53a Wwb / 4:2 en 4:5 Awb
Essentie: Buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag omdat appellante de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college van appellante meer gegevens kon verlangen gelet op het feit dat uit de overgelegde bankafschriften bleek dat er na de datum in geding bijschrijvingen in verband met kasstortingen op voorkwamen. Van appellante kon in ieder geval worden verwacht nadere gegevens over de herkomst van deze kasstortingen te geven. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante niet over deze gegevens beschikte dan wel hierover niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 07/7183 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 november 2007, 07/1708 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College).

Datum uitspraak: 29 december 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Rijkers, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 26 oktober 2006 heeft appellante een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.2. Bij brief van 29 november 2006 heeft het College appellante verzocht om voor 8 december 2006 haar aanvraag aan te vullen met gegevens over de herkomst van de stortingen op de eigen rekening vanaf 2 april 2004 en met gegevens over de wijze waarop zij vanaf 1 augustus 2006 in de kosten van het bestaan heeft voorzien. Tevens heeft het College appellante er op gewezen dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld wanneer zij de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn inlevert.

1.3. Bij besluit van 13 december 2006 heeft het College de aanvraag van 26 oktober 2006 buiten behandeling gesteld omdat appellante de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd.

1.4. Bij besluit van 3 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Ter zitting heeft het College toegelicht dat voor de behandeling van de aanvraag met name de gegevens over de wijze waarop appellante vanaf 1 augustus 2006 in de kosten van het bestaan heeft voorzien van belang werden geacht aangezien appellante tot 1 augustus 2006 bijstand heeft ontvangen.

4.3. De Raad stelt voorop dat bij aanvragen om bijstand de bewijslast ter zake van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf rust. In dat kader dient de aanvrager duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Desgevraagd zal hij een en ander moeten staven met schriftelijke bescheiden waaronder bankafschriften, zonodig (ook) over een periode direct voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Appellante heeft in dat verband haar bankafschriften ingeleverd en een aanslag inkomstenbelasting over 2004, maar de Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College in dit geval van appellante meer gegevens kon verlangen gelet op het feit dat uit de overgelegde bankafschriften bleek dat er na 1 augustus 2006 bijschrijvingen in verband met kasstortingen op voorkwamen. Van appellante kon in ieder geval worden verwacht nadere gegevens over de herkomst van deze kasstortingen te geven. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante niet over deze gegevens beschikte dan wel hierover niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen.

4.4. De Raad stelt vast dat appellante de gevraagde inlichtingen niet binnen de geboden hersteltermijn heeft verstrekt, hetgeen betekent dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag om bijstand van 26 oktober 2006 buiten behandeling te laten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.