Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL0053
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL0053
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/1809 WWB
Datum uitspraak: 19-01-2010
Wetsartikelen: artt. 35 en 51 Wwb
Essentie: Toekenning bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting in de vorm van een geldlening tot een bedrag van €3000,-. Het college is bevoegd bij de bepaling van de hoogte van de bijstand voor de verschillende kostenposten richtprijzen te hanteren. Daarbij is het college niet verplicht om uit te gaan van de NIBUD-normen. Ook de Raad acht het niet onredelijk, gelet op het karakter van de bijstand als bodemvoorziening, dat het college uitgaat van de goedkoopste passende voorzieningen en dat het college richtprijzen gebruikt die zijn afgeleid van en afgestemd op het winkelaanbod in appellants woonplaats. Er is geen grond voor het oordeel dat hantering bij de onderhavige aanvraag van de met ingang van de datum in geding geldende en nadien niet geïndexeerde richtprijzen in dit geval onredelijke of anderszins onaanvaardbare consequenties heeft gehad.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 08/1809 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 februari 2008, 07/496 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 januari 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 december 2009. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 23 oktober 2006 heeft appellant bij het College een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting.

1.2. Bij besluit van 14 november 2006 heeft het College aan appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van € 3.000,--.

1.3. Bij besluit van 3 april 2007 heeft het College, met overneming van de inhoud van een Dienstrapport Sociale Zaken en Werk van 6 maart 2007 en het advies van de bezwaarschriftencommissie van 26 maart 2007, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, en aan appellant in aanvulling op het reeds toegekende bedrag een bedrag om niet van € 182,41 toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij acht het beleid van het College waarbij richtprijzen voor woninginrichting worden gehanteerd die ruim onder de NIBUD-normen liggen onredelijk. De toepassing van dit beleid heeft volgens appellant met zich gebracht dat aan hem - ten onrechte - tot een te laag bedrag bijzondere bijstand is toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij wat betreft het op deze zaak van toepassing zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College, indien het in het voorliggende geval heeft vastgesteld dat voor de kosten van woninginrichting in beginsel bijzondere bijstand dient te worden verleend, bevoegd is bij de bepaling van de hoogte van de bijstand voor de verschillende kostenposten richtprijzen te hanteren. Daarbij is het College niet verplicht om uit te gaan van de NIBUD-normen. Ook de Raad acht het niet onredelijk, gelet op het karakter van de bijstand als bodemvoorziening, dat het College uitgaat van de goedkoopste passende voorzieningen, en dat het College richtprijzen gebruikt die zijn afgeleid van en afgestemd op het winkelaanbod in de stad Groningen. De Raad ziet, mede gelet op de in beroep door het College nog ingebrachte gegevens hieromtrent, geen grond voor het oordeel dat hantering bij de onderhavige aanvraag van de met ingang van 1 januari 2005 geldende, en nadien niet geïndexeerde richtprijzen in dit geval onredelijke of anderszins onaanvaardbare consequenties heeft gehad. Daarbij betrekt de Raad dat de onder 4.2 bedoelde berekening van de hoogte van de bijstand uitkomt op een bedrag van € 2.842,50 en dat een bedrag van € 3.000,-- is toegekend.

4.2. In het Dienstrapport van 6 maart 2006 is een financiële onderbouwing van de hoogte van de toegekende bijzondere bijstand opgenomen die naar het oordeel van de Raad in overeenstemming is met het in 4.1 besproken beleid. De Raad merkt in dit verband nog op dat, zoals bij de behandeling ter zitting van de rechtbank van de zijde van het College is opgemerkt, geen bijzondere bijstand is toegekend voor de aanschaf van nachtkastjes omdat het College aanschaf daarvan niet noodzakelijk vindt - hetgeen de Raad niet onjuist voorkomt - en dat voor een enkele kostenpost (verlichting woonkamer) geen vergoeding is toegekend omdat die niet in de aanvraag was begrepen.

4.3. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan appellant, in afwijking van het beleid, tot een hoger bedrag bijzondere bijstand had behoren te worden verleend.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.