Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL1636
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL1636
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/2172 WWB
Datum uitspraak: 19-01-2010
Wetsartikelen: artt. 9 en 18 Wwb / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Oplegging maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering omdat de echtgenote van appellant heeft nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Er is onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat de echtgenote een concreet aanbod voor een functie is gedaan. Vernietiging van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/2172 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2008, 07/1957 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 januari 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009. Voor appellant is verschenen mr. Hanenberg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving, samen met zijn echtgenote [naam echtgenote van appellant], sinds 1 januari 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.

1.2. In het kader van het project WerkDirect is appellant tijdens een gesprek op 8 januari 2007 meegedeeld dat hem een functie wordt aangeboden bij Roteb. Bij brief van dezelfde datum is appellant meegedeeld dat hij zich op 9 januari 2007 dient te melden bij Bureau Werk, dat dan de arbeidsovereenkomst wordt ondertekend en dat hij dan nader zal worden geïnformeerd over de inhoud van de functie, de omvang en duur van de overeenkomst, het salaris, de plaats van tewerkstelling en de werktijden. Blijkens het aanmeldings/terugkoppelingsformulier van Bureau Werk/Roteb van 9 januari 2007 is op die datum vooralsnog geen arbeidsovereenkomst met appellant aangegaan. Voor zover thans van belang heeft op 5 februari 2007 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, [naam echtgenote van appellant] en een medewerker van het project WerkDirect. Bij die gelegenheid is eerst aan appellant een aanbod gedaan voor een functie bij Roteb. Nadat appellant te kennen had gegeven niet bij Roteb te willen werken, is [naam echtgenote van appellant] erop gewezen dat er ook voor haar werk was bij Roteb. Zij heeft voorts te kennen gegeven niet bij Roteb te willen werken.

1.3. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College de bijstand over de periode van 5 februari 2007 tot 5 maart 2007 verlaagd met 100% van de bijstandsnorm, op de grond dat [naam echtgenote van appellant] heeft nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Hierbij is vermeld dat [naam echtgenote van appellant] weigert om verwezen te worden naar Bureau Werk van Roteb om een arbeidsovereenkomst te ondertekenen.

1.4. Bij besluit van 19 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is de ingangsdatum van de maatregel vastgesteld op 1 maart 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling wordt, door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, bereikt dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Uiteraard dient er wel gekeken te worden naar de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid (Tweede Kamer, 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 5 en 6).

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het College overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het College de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Ten tijde hier van belang gold de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam, vastgesteld op 4 maart 2004 (hierna: Afstemmingsverordening).

4.3. Vooropgesteld zij dat, naar ter zitting door de gemachtigde van het College is bevestigd, het besluit van 19 april 2007 betrekking heeft op de periode van 1 maart 2007 tot 1 april 2007 en dat dit besluit voorts (enkel) betrekking heeft op de gedraging van [naam echtgenote van appellant].

4.4. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat [naam echtgenote van appellant] een concreet aanbod voor een functie bij Roteb is gedaan. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat uit het gespreksverslag van 6 februari 2007 niet blijkt dat aan [naam echtgenote van appellant] - anders dan kort daarvoor aan appellant - is meegedeeld dat haar een functie bij Roteb wordt aangeboden en dat zij zich voor het aanvaarden van die functie dient te melden bij Bureau Werk. Voorts is niet gebleken dat aan [naam echtgenote van appellant] een te ondertekenen arbeidsovereenkomst is voorgelegd en een omschrijving van de haar aangeboden functie is gegeven. Hierdoor is niet duidelijk wat de functie bij Roteb concreet inhield en wat de werktijden waren.

4.5. Het voorgaande betekent dat er onvoldoende grond is voor de conclusie dat [naam echtgenote van appellant] niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Dit brengt met zich dat er geen deugdelijke feitelijke grondslag was voor oplegging van de maatregel van verlaging van de bijstand met 100% van de bijstandsnorm voor een periode van één maand. Bij het besluit van 19 april 2007 is die verlaging, onder vaststelling van een (nadere) ingangsdatum, derhalve ten onrechte gehandhaafd.

4.6. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 19 april 2007 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2007, met inachtneming van deze uitspraak.

4.7. De Raad voegt aan het vorenstaande - zij het ten overvloede - toe, op grond van de voorhanden gegevens, alsmede het verhandelde ter zitting, voorshands van oordeel te zijn dat de gedraging van [naam echtgenote van appellant] wel kan worden gekwalificeerd als een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a, van de Afstemmingsverordening, te weten een gedraging die de arbeidsinschakeling belemmert. Op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van deze verordening leidt een dergelijke gedraging tot een verlaging van de bijstand met twintig % van de bijstandsnorm gedurende één maand.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 april 2007 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;
Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.