Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BL7304
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BL7304
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/2887 WWB
Datum uitspraak: 09-03-2010
Wetsartikelen: artt. 17, 32, 54 en 58 Wwb / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomsten uit onderverhuur. De bewijslast van de stelling dat appellant genoemde inkomsten uit onderverhuur heeft genoten rust niet op appellant, maar op het college. De verklaring van één persoon is daarvoor niet voldoende.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/2887 WWB




U I T S P R A A K




p het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2008, 07/560 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 9 maart 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A. van den Berg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft van 1 januari 1999 tot en met 31 juli 1999 op grond van de Algemene bijstandswet bijstand naar de norm voor gehuwden ontvangen.

1.2. De Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna DWI) heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.
De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 6 april 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 14 augustus 2006 de bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 juli 1999 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 3.057,83 (bruto) van appellant terug te vorderen. Aan de intrekking van de bijstand heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het College geen melding te maken van de door hem genoten inkomsten uit onderverhuur en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het College - met een beslissing inzake vergoeding van de kosten van rechtsbijstand - het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2006 gegrond verklaard en het bedrag van de terugvordering vastgesteld op € 1.387,58. Aan de wijziging van het bedrag van de terugvordering ligt ten grondslag dat geen omrekening van het terug te vorderen bedrag van guldens in euro’s heeft plaatsgevonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de intrekking van de aan appellant over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 juli 1999 bijstand een belastend besluit is waarbij het aan het College is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast van de stelling dat appellant genoemde inkomsten uit onderverhuur heeft genoten niet op appellant, maar op het College rust.

4.2. Het standpunt van het College dat appellant van 1 januari 1999 tot en met 31 juli 1999 inkomsten uit onderverhuur heeft genoten berust uitsluitend op de verklaring die [A.B.] op 15 februari 2006 tegenover een sociaal rechercheur van de DWI heeft afgelegd. De gemachtigde van het College heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Appellant heeft van meet af aan ontkend dat hij gedurende de genoemde periode inkomsten uit onderverhuur heeft gehad. Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat er voor het standpunt van het College onvoldoende feitelijke grondslag bestaat.

4.3. Het voorgaande betekent dat de intrekking niet in stand kan blijven omdat deze op een ondeugdelijke motivering berust. Daar vloeit uit voort dat aan de terugvordering de grondslag is komen te ontvallen. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 13 maart 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, met uitzondering van de beslissing inzake de vergoeding van kosten van rechtsbijstand. De Raad ziet tevens aanleiding het besluit van 14 augustus 2006 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen aangezien dit besluit, daargelaten dat geen omrekening van het terug te vorderen bedrag van guldens in euro’s heeft plaatsgevonden, op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit motiveringsgebrek alsnog kan worden hersteld.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 maart 2007, met uitzondering van de beslissing inzake de vergoeding van kosten van rechtsbijstand;
Herroept het besluit 14 augustus 2006;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;
Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.