Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BM1645
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BM1645
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 08/2136 WWB
Datum uitspraak: 13-04-2010
Wetsartikelen: art. 35 Wwb
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van het laten opmaken van de boekhouding over een periode gelegen vóór de algemenebijstandsaanvraag. De kosten van de boekhouder behoren weliswaar tot de noodzakelijke kosten nu deze kosten gemaakt moeten worden voor de beoordeling van het recht op bijstand, maar deze kosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden. De kosten van de boekhouder zijn voor een ondernemer algemeen noodzakelijke kosten; appellant had deze al moeten maken maar is hierin nalatig geweest.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/2136 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 februari 2008, 07/3466 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 13 april 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. Voor appellant is verschenen mr. Van Es. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.




II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 8 december 2006 heeft het College de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten voor het laten opmaken van de boekhouding over 2003 en 2004 met toepassing van artikel 14 van de WWB afgewezen.

1.2. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2006 ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag in artikel 35 van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 maart 2007 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank het volgende overwogen waarbij appellant als eiser is aangeduid en het College als verweerder.

"Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag van eiser op juiste gronden afgewezen. Zij neemt hierbij in aanmerking dat eiser over de jaren 2003 en 2004 eigenaar van het bedrijf was. Op hem rustte dan ook de verplichting een adequate boekhouding bij te houden. Het gegeven dat de boekhouder van eiser zijn werkzaamheden niet goed heeft verricht en dat eiser kosten heeft moeten maken om een andere boekhouder in te schakelen maakt dit niet anders. De stelling van eiser dat verweerder zorg moet dragen voor deze kosten, slaagt evenmin. De kosten van de boekhouder behoren weliswaar tot de noodzakelijke kosten nu deze kosten gemaakt moeten worden voor de beoordeling van het recht op bijstand, maar deze kosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden. De kosten van de boekhouder zijn voor een ondernemer algemeen noodzakelijke kosten, eiser had deze al moeten maken maar is hierin nalatig geweest. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder artikel 17 van het BBZ naar analogie toe had moeten passen wijst de rechtbank erop dat eiser ten tijde van de bijstandsaanvraag geen zelfstandig ondernemer was en dit artikel niet op hem van toepassing was."

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft het College de aanvraag ten onrechte afgewezen omdat er sprake zou zijn van niet-noodzakelijke kosten en heeft het College ten onrechte niet onderkend dat er in zijn situatie sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hij de kosten voor de boekhouder heeft moeten maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat het College de afwijzing heeft gebaseerd op de grond dat er sprake is van niet-noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 14 van de WWB. Uit het besluit van 26 maart 2007 blijkt dat het College deze in het primaire besluit gebezigde grondslag later heeft gewijzigd in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het College heeft daarbij gemotiveerd waarom er in de situatie van appellant ten aanzien van de kosten van de boekhouder geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.2. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College de afwijzing van de aanvraag op goede gronden heeft gehandhaafd. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en verwijst daarnaar. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.